|
26 okt 2000
Onderdeel:
Wageningen-UR
Nummer:
0031_3
Waterbeheerders en natuurorganisaties willen de Nederlandse rivierdelta verlevendigen en verruimen, onder andere door de aanleg van nieuwe natuurgebieden. Uit onderzoek van geomorfoloog ing. Gilbert Maas van Alterra blijkt dat de ideen om ruimte te creren voor de rivieren niet altijd stroken met de manier waarop de Nederlandse rivierdelta is gegroeid.Maas onderzocht in opdracht van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling de Maas en benedenrivieren, de Rijn en de IJssel. Hij vergeleek op rivierkaarten uit de periode tussen 1750 en 1850 de rivierloop, de bodem, het landgebruik en de begroeiing. Dr. Hans Middelkoop van de vakgroep Geomorfologie en klimaat van de Universiteit Utrecht vergelijkt deze historische gegevens met de huidige situatie. De gegevens uit de onderzoeken moeten aanwijzingen geven voor de manier waarop de verruiming van rivieren in de toekomst zal gebeuren. Uiteindelijk zal het project in 2001 resulteren in folders voor de regionale directies van Rijkswaterstaat. Volgens Maas kunnen natuurontwikkelaars lering trekken uit zijn onderzoek bij de aanleg van natte natuurgebieden, zoals de moerasbossen in de Millingerwaard en de Blauwe Kamer. Het bekende Plan Ooievaar, dat sinds 1986 als voorbeeld dient voor veel nieuwe natuur, is namelijk niet overal te gebruiken. Zo is langs de Waal nog wel natte natuurontwikkeling mogelijk, omdat deze rivier flink dynamisch is, maar bij de minder dynamische IJssel passen volgens Maas de concepten van Plan Ooievaar niet. Hij pleit er dan ook voor die concepten aan te passen aan de dynamiek van de rivieren. Het onderzoek van Maas en Middelkoop laat ook zien dat de natuurwensen van tegenwoordig niet altijd logisch zijn. De wens om in de Biesbosch bies- en rietkragen terug te krijgen, is volgens Maas onlogisch. Het bies- en rietlandschap was juist een fase in de ontwikkeling de opslibbende Biesbosch. | M.W.
|