In biologische grond overleeft de E. coli-bacterie, die voedselvergiftiging bij mensen veroorzaakt, minder lang dan in grond van gangbare boeren. Dat ontdekte dr Anne van Diepeningen van de leerstoelgroep Biologische bedrijfssystemen. Ook verdwijnt de bacterie sneller uit mest afkomstig van koeien met een dieet van veel ruwvoer.Het zijn de eerste resultaten uit een onderzoek dat vier jaar gaat duren. Naast het voorkomen van E. coli kijkt de leerstoelgroep ook naar de aanwezigheid van salmonella in mest, grond en producten. Beide ziekteverwekkers zorgen voor zon tweeduizend gevallen van voedselvergiftiging per jaar in Nederland. Er zijn mensen die zeggen dat beide ziekteverwekkers in de biologische landbouw meer zullen voorkomen, omdat de biologische landbouw vaker gebruikmaakt van dierlijke mest. Anderen stellen daar tegenover dat in biologische grond meer organismen leven die de schadelijke ziekteverwekkers onderdrukken. Het onderzoek wil hier uitsluitsel over geven. Tegelijk zoekt Plant Research International naar betere detectiemethoden van beide ziekteverwekkers.
De onderzoekers werkten met genetisch gemodificeerde ziektekiemen, omdat die beter te detecteren zijn. Dat betekent wel dat de proeven in het lab moesten plaatsvinden. Aan mest van koeien die verschillende diten volgden voegden ze de ziekteverwekkers aan toe, waarna die mest aan potten met grond werd toegediend. Daarop is sla geteeld. In de sla is geen spoor van salmonella of E. coli gevonden. ,,We hebben normale hoeveelheden toegevoegd'', vertelt van Diepeningen. ,,Je hoort ook wel eens van experimenten waarbij ze gigantisch veel stammen toedienen, en dan vinden ze er wel wat van terug in het product. Wij zijn uitgegaan van hoeveelheden die ook in de praktijk te vinden zijn.''
Waarom E. coli sneller verdwijnt uit biologische grond en uit vezelrijke mest is volgens Van Diepeningen niet duidelijk. ,,Dat moeten we nog uitzoeken. Het kan net zo goed liggen aan het vezelgehalte, de zuurgraad of de hoeveelheid ammoniak. Via modellering hopen we verder te komen.'' | Leonore Noorduyn