Biologisch boeren levert een betere landschapskwaliteit op dan gangbare landbouw. Dat lezen ir Karina Hendriks en ir Derk Jan Stobbelaar met de door hen ontworpen methode af aan het landschap bij dertig bedrijven in Waterland, West-Friesland en Drenthe. Volgens de twee promovendi zorgt boeren volgens de biologische richtlijnen bijna onbewust voor meer landschapskwaliteit.Biologische bedrijven scoren in het onderzoek van Hendriks en Stobbelaar gemiddeld beter op landschapskwaliteit, alhoewel ertussen individuele bedrijven wel verschillen zijn. ,,Het is een beetje een open deur'', vergoelijkt Stobbelaar bijna de conclusies, want het klinkt wel erg logisch dat biologische landbouw beter is voor het landschap. Toch is het onderzoek dat hij samen met Hendriks uitvoerde het eerste dat zich specifiek richt op de gevolgen van de landbouwpraktijk voor de kwaliteit van het landschap.
De verschillen tussen de biologische en gangbare bedrijven zijn volgens de promovendi voor een groot deel te verklaren door de biologische richtlijnen die bioboeren volgen. Die zorgen ervoor dat biologische boeren vaak meer gewassen telen en hun bedrijf meer aanpassen aan de omstandigheden, en daarmee aan het landschap. Gangbare boeren doen vaak bewust iets voor het landschap, via milieuvriendelijk boeren of natuurbeheer, maar bij biologische boeren zijn zulke zaken volgens de onderzoekers verweven met het hele bedrijf.
Vooral de seizoensinvloeden zijn in het landschap rondom biologische bedrijven beter zichtbaar dan rondom gangbare bedrijven, maar in elke regio die Hendriks en Stobbelaar onderzochten zijn de verschillen ook anders. In West-Friesland is de variatie aan gewassen bij biologische boeren groter. De gangbare tuinbouwbedrijven in West-Friesland verbouwen voornamelijk kool, terwijl biologische boeren ook granen, pompoenen en witlof op het land hebben staan. In Drenthe onderscheiden de biologische boeren zich door grotere en meer gevarieerde landschapselementen als houtwallen en slootranden. In Waterland doet de biologische bedrijfsvoering minder afbreuk aan het cultuurhistorische landschap.
Hendriks en Stobbelaar ontwikkelden een methode waarmee het landschap als het ware leesbaar wordt. Door met vier perspectieven naar het landschap te kijken - via de verticale samenhang van natuurlijke aspecten, de horizontale samenhang van de verschillende landschapsfuncties, de seizoensinvloeden en de historische samenhang - ontstaan zo'n veertig parameters die in de verschillende regio's gebruikt kunnen worden om landschapskwaliteit te duiden. De leesmethode kan volgens hen in de toekomst gebruikt worden om groene diensten die boeren leveren, zoals landschapsbeheer en agrarisch natuurbeheer, te kunnen evalueren. | Martin WoestenburgKarina Hendriks en Derk Jan Stobbelaar promoveerden op 21 mei bij hoogleraar Landgebruiksplanning prof. Arnold van der Valk.