Risico Bt-gewassen nog nauwelijks bekend

  Nieuws
  Vaknieuws
  Wagenings commentaar
  Dossiers
  Perskamer
  Archief
  Agenda
  Nieuws
  2011
  2010
  2009
  2008
  2007
  2006
  2005
  2004
  2003
  2002
  2001
  2000
  RSS
  Agenda
  Open dagen
  Congressen en symposia
  Cursussen
  Promoties & Oraties

4 sep 2003
Onderdeel: Wageningen-UR
Nummer: 0323_2

De risicos die de teelt van de genetisch gemodificeerde Bt-gewassen oplevert voor andere organismen zijn nog maar nauwelijks onderzocht, stellen de Wageningse entomologen dr Bart Knols en prof. Marcel Dicke in een opiniebijdrage in Nature Biotechnology van deze week. Zij bepleiten een gedegen ecologische risicoanalyse voordat dergelijke gewassen in Europa gentroduceerd worden.

Wereldwijd wordt op miljoenen hectares genetisch gemodificeerde Bt-gewassen geteeld. De planten produceren gifstoffen, die oorspronkelijk gemaakt worden door de bacterie Bacillus thuringiensis, waardoor minder insectenvraat optreedt.

De publicatie van Knols en Dicke in het door biotechnologen meest geciteerde tijdschrift is niet toevallig een week voor de bijeenkomst van de wereldhandelsorganisatie WTO. De handelsbelemmerende houding die Europa ten opzichte van genetisch gemodificeerde gewassen inneemt is door de Verenigde Staten hoog op de WTO-agenda is gezet. ,,We hebben er bewust voor gekozen de discussie op scherp te zetten. De ecologische gevolgen van het gebruik van Bt-gewassen zijn nog altijd onderbelicht. In het onderzoek van de biotechbedrijven voor de introductie op de Amerikaanse markt, wordt eigenlijk alleen gekeken naar korte-termijneffecten. De meeste vragen die ecologen stellen worden niet beantwoord, vindt Dicke. In het nummer van Nature Biotechnology staat ook een artikel van de US Environmental Protection Agency (EPA) dat stelt dat Bt-gewassen veilig zijn voor mens en milieu. De wetenschappelijke bewijzen hiervoor zijn in de bijdrage van de EPA echter niet te vinden, meent Dicke.

Dicke baseert zich hierbij op een inventarisatie van mogelijke risicos van Bt-gewassen die hij en Knols recent hebben opgesteld in opdracht van de Nederlandse Commissie voor Genetische Modificatie (COGEM). Hierin oordelen negen prominente Nederlandse ecologen, waaronder drie Wageningse hoogleraren, dat de gevolgen van Bt-toxines op organismen die geen gewasschade veroorzaken, en soms zelfs een rol spelen in de beheersing van plagen, nog nauwelijks bekend zijn.

Dicke: ,,De Bt-gewassen zijn zo gemaakt dat de productie van de endotoxines continu plaatsvindt. Dat is een heel andere situatie dan wanneer je het toxine als gewasbeschermingsmiddel over het gewas spuit. In dat geval is de werking slechts van korte duur omdat de gifstof onder invloed van zonlicht relatief snel wordt afgebroken. Er zijn weliswaar in het veld nog geen organismen gevonden die een ongevoeligheid tegen Bt-gewassen hebben ontwikkeld, maar daar kun je op wachten. In het laboratorium zijn zulke resistente insecten al wel gevonden. Alle organismen in de omgeving worden aan de toxine blootgesteld, niet alleen de larven van het doelinsect, zoals de masboorder of de maskever, die je liever kwijt dan rijk bent, maar via het stuifmeel ook nuttige lieveheersbeestjes en zeldzame vlinders.

Volgens Dicke is dit probleem veel nadrukkelijker aanwezig in Europa, omdat het landschap veel meer gefragmenteerd is. ,,In Amerika heb je grote landbouwgebieden en grote natuurgebieden, die hebben een relatief klein grensvlak. In Europa is de uitwisseling tussen die twee veel intensiever. Bovendien zijn bijvoorbeeld vlinders veel kwetsbaarder omdat ze maar over een klein leefgebied beschikken.

Het in Amerika vaak gehekelde voorzorgprincipe pas toestemming verlenen als redelijkerwijs vastgesteld is dat het transgene gewas veilig is is volgens Dicke zo gek nog niet. ,,Als er iets misgaat ben je veel verder van huis. Niet dat je alle risicos kunt uitsluiten, maar nu doen bedrijven echt veel te weinig aan ecologische risicoanalyses. Ik heb studies gezien waarin bedrijven de effecten van transgene pollen alleen onderzochten op watervlooien. Uitstekende modelorganismen, maar toch vooral geschikt voor het monitoren van waterkwaliteit.

Gezien de belangen van de bedrijven is het volgens Dicke beter als zij zulk onderzoek voortaan aan wetenschappers uitbesteden. Voor de ecologische toetsing van Bt-gewassen wordt een vierstappenprocedure voorgesteld. Hierbij worden allereerst de betrokken sleutelsoorten in de voedselkringloop onderscheiden, dan de effecten van de toxine op deze organismen vastgesteld, vervolgens wordt gekeken naar de interacties met andere ecosystemen en tot slot worden de gevolgen op grotere schaal en langere termijn in kaart gebracht met behulp van modellen. Dicke: ,,Het duurt wel wat langer en kost wat meer, maar dan heb je ook iets. | Gert van Maanen


Print nieuwsbericht