KORTE SAMENVATTING VAN HET WETENSCHAPPELIJK EINDRAPPORT VAN EVA II
Vraagstelling
Het EVA II onderzoek had tot doel de aard en de omvang van de effecten vande mechanische schelpdiervisserij op de natuur in Waddenzee en Oosterscheldein kaart te brengen. Daarnaast moest worden geëvalueerd of de in 1993genomen beleidsmaatregelen het beoogde effect hebben gesorteerd. De betreffendebeleidsmaatregelen bestonden uit het permanent sluiten van een deel van dedroogvallende platen voor de schelpdiervisserij en het sluiten van de schelpdiervisserijin jaren met een laag schelpdieraanbod op grond van de voedselreserveringvoor schelpdieretende vogels.
Gesloten gebieden in de Waddenzee
In 1993 is ongeveer 26% van de droogvallende gebieden in de Waddenzee permanentgesloten voor de schelpdiervisserij. Deze gebieden zijn zodanig geselecteerddat ze voor wat betreft de schelpdierstand representatief waren voor de restvan de Waddenzee. Daardoor konden ze tijdens het EVA II-onderzoek als vergelijkingsgebiedgebruikt worden om de effecten van schelpdiervisserij te bestuderen.
Omdat zeegrasvelden niet bestand zijn tegen kokkelvisserij is bij de keuzevan de gesloten gebieden ook rekening gehouden met de plaatsen waar nog zeegrasvoorkwam.
Doordat de visserij op mosselzaad ook in de open gebieden vrijwel geheel werdgestaakt bestond het voornaamste verschil tussen open en gesloten gebiedenuit de aanwezigheid van kokkelvisserij in de open gebieden. De daardoor veroorzaakteverschillen in bodemsamenstelling, kokkelstand, overige bodemfauna en vogelskomen hieronder stuk voor stuk aan bod.
Bodem en bodemfauna in de Waddenzee
Er is veel onderzoek gedaan naar de effecten van kokkelvisserij op de bodemen de bodemdieren. Bij de mechanische kokkelvisserij wordt de bovenlaag vande bodem los gespoeld om de kokkels er uit te kunnen zeven. Daardoor kanlosgewoeld slib wegdrijven en neemt het slibgehalte van de bodem tijdelijkaf. Dat effect is in de beviste gebieden enkele maanden tot meer dan eenjaar na visserij meetbaar.
De resultaten van sedimentonderzoek in het kader van EVA II over de afgelopentwintig jaar laten zien dat de slibgehalten in het sediment van open gebiedeniets minder is toegenomen dan in gesloten gebieden. Dit geeft dus aanwijzingenvoor een lange termijn effect van visserij, hetgeen verklaard zou kunnen wordendoor de grotere slibvangende werking van kokkels in de gesloten gebieden. Daarnaastzijn er ook grootschalige veranderingen in het slibgehalte van de bodem vande Waddenzee vastgesteld die niet kunnen worden toegeschreven aan de visserij.
Het effect op de bodemfauna was het meest duidelijk voor de kokkelstand; diewerd in de beviste gebieden gereduceerd. In de loop van de jaren 90 werd dekokkelstand in de gesloten gebieden per m2 ongeveer drie keer zo hoog als inde open gebieden. Naast het oogsten van kokkels kwam dat door verschil in broedvalvan kokkels tussen open en gesloten gebieden. In het begin van de jaren 90was de broedval van kokkels veel hoger in de gesloten gebieden, maar de laatstejaren is de broedval iets hoger in de open gebieden. Dit laatste wordt verklaarduit een remmende werking van de hoge kokkelstand in de gesloten gebieden opde broedval van kokkels.
In de afgelopen decennia heeft zich in de Waddenzee een opvallende verschuivingin de broedval van de kokkels voorgedaan, van laag wad naar hoog wad. Dezeverschuiving was sterker in de gebieden waar op kokkels werd gevist. De algemeneverschuiving zou het gevolg kunnen zijn van grootschalige veranderingen inde slibhuishouding van de Waddenzee of van een verhoogde predatie van garnalenin laag gelegen gebieden. De sterkere verschuiving in de beviste gebieden zouhet gevolg kunnen zijn van een verminderd slibgehalte in gebieden waar de kokkelstandis verlaagd door kokkelvisserij.
Tijdens en direct na het vissen op kokkels gaat een deel van de andere bodemfaunadood. Dat komt doordat wormen en kleine schelpdieren beschadigd worden in hetvistuig of in de sorteerapparatuur. In een beviste kokkelbank bedraagt de sterftevan die andere bodemdieren minimaal enkele tientallen procenten. Ook op ietslangere termijn (één tot enkele jaren) is tijdens het EVA II-onderzoekeen afname van bodemdieren waargenomen in beviste gebieden. Alleen éénwormsoort, de zeeduizendpoot, nam toe na bevissing. De zeeduizendpoot is eenbelangrijke voedselbron voor wadvogels die van wormen leven.
Veranderingen in de vogelstand.
Analyse van de aantallen vogels liet zien dat een aantal wormenetende vogelsoortenmet name toenam in de gebieden die open waren voor de kokkelvisserij. Deverwachting dat de aantallen scholeksters in de beviste gebieden extra zoudenafnemen (door gebrek aan voedsel) kwam niet uit. De scholeksters namen overalaf, maar in de beviste gebieden zeker niet méér dan in de geslotengebieden. De scholeksters in de beviste gebieden hadden wel een minder goedeconditie.
Mosselbanken bieden voedsel aan schelpdieretende vogels, en de omgeving vanmosselbanken is vaak enigszins slikkig waardoor er meer wormen en wormen-etendevogels kunnen leven. Achteraf is geconstateerd dat de nieuwe mosselbanken dievanaf 1994 zijn ontstaan waarschijnlijk een rol hebben gespeeld in de verdelingvan vogels over open en gesloten gebieden. De mosselbanken ontwikkelden zichtot 2001 vooral in de open gebieden ten zuiden van Ameland en Schiermonnikoog,en tot die tijd kunnen ze daar gezorgd hebben voor extra voedsel voor scholekstersen wormen-etende vogels. Daarna kwamen er ook mosselbanken in het geslotengebied ten zuiden van Rottum.
Herstel mosselbanken en Jan Louw hypothese
Tot 1990 zijn de mosselbanken altijd beeldbepalend aanwezig geweest in de Waddenzee.Schattingen op basis van luchtfoto’s uit het verleden (1976 en 1978)komen uit op een totaal-oppervlak van ruim 4000 ha. Het oppervlak heeft altijdgefluctueerd. Retrospectief onderzoek in het kader van EVA II komt uit opuiterste grenzen tussen 1000 en 6000 hectare.
Begin jaren negentig zorgde intensieve mosselvisserij op de wadplaten, in combinatiemet achterblijvende broedval en mogelijk stormschade voor het vrijwel volledigverdwijnen van de droogvallende mosselbanken. Daarna was er tot 1994 praktischgeen broedval, waardoor herstel uitbleef. In 1994, 1996, 1999 en (vooral) 2001ontstonden nieuwe mosselbanken die voor een deel ook stand gehouden hebben.Daardoor is er sinds het voorjaar van 2002 weer een behoorlijk oppervlak aanmosselbanken aanwezig, namelijk ongeveer 2000 ha. Het streef-oppervlak datin 1998 werd vastgesteld was 2000 à 4000 hectare. Dat doel is dus bereikt.Opgemerkt moet worden dat de mosselbanken zich vooral in het oostelijke deelvan de Waddenzee bevinden.
Onder jonge mosselzaadbanken hoopt zich doorgaans een dikke laag zacht slibop waardoor ze vooral in hun eerste winter gemakkelijk weg kunnen spoelen.Vanuit de mosselvisserijsector kwamen aanwijzingen dat het uitdunnen van diebanken in de herfst, waarbij de sliblaag verkleind werd, zou kunnen leidentot een betere overleving in de winter. Deze mogelijkheid (de Jan Louw hypothese,genoemd naar de bekende mosselvisser Jan Louwerse) is getest door experimenteelonderzoek. Er bleek evenwel geen stabiliserend effect op te treden want opbeviste plekken lagen na de winter even weinig mosselen als op onbeviste controleplekken. Tegelijkertijd kan worden geconcludeerd dat er na de winter geen nadeligeffect van visserij meer was waar te nemen op bedekking, biomassa en oppervlakdat door mosselen werd bedekt. Omdat de omstandigheden van jaar op jaar verschillendzijn zal deze proef een aantal malen moeten worden herhaald voordat definitieveuitspraken mogelijk zijn.
Mosselvisserij en -cultuur in het sublitoraal van de Waddenzee
Mosselvisserij is toegestaan in alle gebieden die permanent onder water staanen dit verklaart mogelijk waarom er vrijwel geen oude mosselbanken voorkomenin deze sublitorale gebieden. De mosselcultuur verhoogt gemiddeld het mosselbestanddoor mossels te verplaatsen van gebieden met goede zaadval maar slechte groei,naar gebieden met slechte zaadval en goede groei, ondanks de daaropvolgendeoogst. Een eerste poging om de gemiddelde toename in het mosselbestand teschatten komt uit op een factor 2 voor de Nederlandse kustwateren als geheel.Omdat een aanzienlijk deel van de zaadmossels en halfwas mossels naar deOosterschelde wordt getransporteerd, wordt de netto toename voor de Waddenzeetentatief geschat op ongeveer 15%. Dit is een gemiddeld getal en het kanniet worden uitgesloten dat in jaren van schaarste het transport van mosselsvan de Waddenzee naar de Oosterschelde wordt verhoogd, met als gevolg eennetto verlaging van het mosselbestand in de Waddenzee in zulke jaren. Erzijn geen aanwijzingen dat mosselzaadvisserij in het sublitoraal effect heeftop de productie van mosselzaad en de mosselzaadvisserij vond ook steeds plaatsin ongeveer dezelfde gebieden. Visserijeffecten kunnen echter niet wordenuitgesloten omdat er geen vergelijking met voor visserij gesloten controlegebieden mogelijk was. De effecten van mosselzaadvisserij in het sublitoraalop andere (epibenthische) bodemdieren zijn niet onderzocht.
Voedselreservering in de Waddenzee.
Schelpdieretende vogels, met name scholeksters en eidereenden, zouden schadekunnen ondervinden van schelpdiervisserij, door vermindering van hun voedselvoorraad.Het voedselreserveringsbeleid had als doel deze vogelsoorten te beschermentegen voedseltekort door visserij. Achteraf kan worden geconstateerd datde voedselreservering in de vorm van bescherming van mosselbanken en verminderdevisserij op kokkels zinvol is geweest, maar dat de voor de vogels gereserveerdehoeveelheden schelpdieren groter hadden moeten zijn.
In de Waddenzee namen de aantallen scholeksters tussen 1990 en 1995 geleidelijkaf, van ongeveer 260.000 naar ongeveer 230.000. In de strenge winter van 1996-97zijn er veel scholeksters doodgegaan door de combinatie van kou en slechteconditie als gevolg van voedselgebrek. Daarna waren er nog maar 175.000 over.Sindsdien bleven de aantallen overwinterende scholeksters ongeveer constant.Van die totale afname van 85.000 scholeksters wordt ongeveer 70.000 toegeschrevenaan het tekort aan mosselbanken en ongeveer 15.000 aan de vermindering vanhet kokkelbestand door kokkelvisserij.
Bij voedselreservering zou er in de Waddenzee per scholekster ongeveer 200kilo kokkelvlees aanwezig moeten blijven aan het begin van de winter. Deze ‘ecologischevoedselbehoefte’ is ongeveer 3 maal zo groot als wat een scholeksterdaadwerkelijk opeet in de loop van herfst en winter (de ‘fysiologischevoedselbehoefte’). Berekeningen voor estuaria in Engeland en Frankrijkkomen ongeveer op dezelfde hoeveelheid uit. Als er veel mosselbanken zijn hoevener minder kokkels voor de scholeksters te worden gereserveerd want op elke1000 hectare mosselbank kunnen ongeveer 35.000 scholeksters leven.
De aantallen eidereenden in de Waddenzee en de Noordzeekustzone verminderdentussen 1990 en 2004 van ongeveer 130.000 naar ongeveer 100.000. Tot en met1991 verbleven de meeste eidereenden in de Waddenzee, daarna leefde een wisselendaantal (tot meer dan 80.000) in de Noordzeekustzone. Binnen de Waddenzee overwinterende meeste eidereenden in de westelijke Waddenzee. Ze eten daar vooral mosselendie onder water groeien, zowel van de wilde bestanden als van de mosselpercelen.Wanneer er in de westelijke Waddenzee minder dan ongeveer 60 miljoen kilo mosselen(gewogen met schelp en al) aanwezig was bleek er een verhoogde kans op massalesterfte, zoals sinds 1990 enkele malen is waargenomen. 60 miljoen kilo wordtbeschouwd als de beste schatting voor de ecologische voedselbehoefte voor hetreferentie-aantal van 130.000 eidereenden. De onzekerheid in deze schattingis echter groot.
Draagkrachtontwikkeling en toekomst Waddenzee.
In de westelijke Waddenzee is de toevoer van fosfaten na 1987 sterk verminderd.De aanvoer van nitraten nam ook af, maar veel minder. Deze stoffen zijn nodigvoor de primaire productie, in dit geval vooral in de vorm van ééncelligealgen die in het water zweven. Deze algen vormen het hoofdvoedsel voor deschelpdieren. Volgens modelberekeningen voor de westelijke Waddenzee werktde vermindering van de hoeveelheid voedingsstoffen door in een verminderdeprimaire productie en daardoor in een verminderde maximale draagkracht voorschelpdieren. Het is op dit moment niet mogelijk om de uitkomst van de berekeningente verifiëren met behulp van veldgegevens omdat deze gegevens ontbreken,onvoldoende Waddenzee dekkend zijn, dan wel tegenstrijdige trends laten zien.De mogelijk verminderde draagkracht zou aan het licht moeten komen door slechtegroei van kokkels en mosselen zodra het totale schelpdierbestand een plafondbereikt waarbij de algenproductie nog maar net voldoende is om al die schelpdierente voeden. Gedurende de periode 1990-2003 zijn daarvoor geen aanwijzingengevonden, doordat het schelpdierbestand, o.a. door geringe broedval, in veeljaren te laag was voor het optreden van voedselgebrek.
Voor schelpdier-etende vogels zijn met name periodes met lage schelpdierbestandenvan belang. De frequentie waarmee een goede broedval van schelpdieren optreedten de omvang van zo’n goede broedval zijn erg belangrijk voor de kansop periodes met schaarste. Goede broedvallen treden meestal op na strenge winters.Door vaker voorkomende zachte winters, samenhangend met de huidige klimaatswijzing,is de kans groot dat de frequentie van goede broedvallen afneemt. Daarnaastis het een beleidsdoel om de toevoer van voedingsstoffen nog verder te latendalen. Deze ontwikkelingen zijn ongunstig voor de frequentie en omvang vande goede broedvallen van schelpdieren en zullen naar verwachting in de toekomstdoorwerken in een verhoogde kans op jaren met schaarste aan schelpdieren endaarmee op de draagkracht voor schelpdieretende vogels.
Er zijn meer ontwikkelingen die op termijn invloed kunnen hebben op de draagkrachtvan de Waddenzee voor vogels. Eén daarvan is de opkomst van de Japanseoester. In de Oosterschelde is gebleken dat toename van de Japanse oester kanleiden tot vermindering van draagkracht voor andere schelpdieren. Dat zou nadeligzijn voor schelpdier-etende vogels, want Japanse oesters kunnen door hen nietgegeten worden. Aan de andere kant kunnen oesterriffen mogelijk een biotoopvormen voor andere soorten kleine dieren en daarmee ook voor andere vogelsoorten.
Draagkrachtontwikkeling kokkels Oosterschelde.
Sinds de totstandkoming van de stormvloedkering (1986) en de compartimentering(1987) zijn de droogvallende platen van de Oosterschelde afgevlakt. Uit eenkokkel-habitatmodel voor de Oosterschelde kan worden afgeleid dat daardoorde draagkracht voor kokkels tussen 1983 en 2001 met ongeveer 20% is afgenomen.Aangezien dit proces van afvlakking nog doorgaat wordt in de periode 2001-2010een verdere afname van 14% verwacht. Ook daarna zal de afname doorgaan.
De potentiële draagkracht voor schelpdieren hangt, net als in de Waddenzee,ook samen met de primaire productie. Sinds het begin van de jaren 90 neemthet doorzicht van het water in de Oosterschelde af. De oorzaak daarvan ligtmogelijk in een toename van de hoeveelheid humuszuren in het water. Als gevolgvan het minder goede lichtklimaat onder water is de primaire productie afgenomen.Die afname is des te relevanter door de opkomst van de Japanse oester die in1964 in de Oosterschelde werd geïntroduceerd. Na een aanvankelijk langzameuitbreiding is nu ongeveer 1400 hectare van de Oosterschelde bedekt met bankenvan Japanse oesters, voor de helft op slikken en platen en voor de helft permanentonder water. Deze oesters leven van dezelfde voedselbron als kokkels en mosselen,namelijk algen die ze uit het water filteren. In de Noordtak en de Kom vande Oosterschelde zijn nu al zo veel Japanse oesters dat verdere toename zalbetekenen dat er minder andere schelpdieren kunnen leven. In de monding enin mindere mate in het middengebied is die grens nog niet bereikt. Dat komtdoor de betere verversing met zeewater.
Scholeksters en voedselreservering in de Oosterschelde
Eidereenden komen in de Oosterschelde bijna niet voor. De enige belangrijkeschelpdieretende vogel in dit gebied is de scholekster.
Sinds de mosselteelt in droogvallende gebieden in het begin van de jaren negentigbeëindigd is komen er op de platen en slikken van de Oosterschelde bijnageen mosselen meer voor. Kokkels zijn daardoor de enige belangrijke prooi voorde scholeksters.
Het aantal overwinterende scholeksters nam tussen 1990 en 2000 af van ongeveer64.000 tot ongeveer 35.000. Inmiddels is de stand weer iets toegenomen, totongeveer 40.000. De afname is primair het gevolg van de verminderde kokkelstanden wordt daarnaast voor een deel (ongeveer 10.000 scholeksters) verklaard doorhet verdwijnen van de mosselteelt in de droogvallende gebieden. Het directeeffect van de kokkelvisserij in de jaren 90 wordt geschat op een verminderingvan 3.300 exemplaren.
Zoals hierboven is beschreven zijn de prognoses voor de ontwikkeling van dekokkelstand in de Oosterschelde ongunstig. Tegelijkertijd heeft verlaging vande platen als gevolg dat scholeksters minder lang naar voedsel kunnen zoeken.Daarom wordt verwacht dat de aantallen in de toekomst zullen afnemen. Modelberekeningenwijzen uit dat de draagkracht voor scholeksters alleen al als gevolg van hetverlagen van de platen met meer dan 9000 scholeksters zal afnemen in de komendetien jaar.
In de Oosterschelde zou per scholekster in de herfst ongeveer 150 kilo kokkelvleesaanwezig moeten zijn om de winter door te komen. Deze ‘ecologische voedselbehoefte’ iswat lager dan in de Waddenzee, deels doordat het minder koud is in de Oosterscheldewaardoor de scholeksters minder voedsel nodig hebben, en deels door het grotereen meer voorspelbare getijverschil waardoor de aanwezige kokkels meestal goedbereikbaar zijn.
Het EVA II onderzoek leidt tot een groot aantal aanbevelingen, waaronder:
- Uitbreiding van de biologische monitoring, inclusief een betere registratievan mosselvoorraden op percelen, ten behoeve van ijking van biologische modellenen een betere bescherming van de natuur
- Nader onderzoek naar grootschalige ecosysteemveranderingen als gevolgvan veranderingen in het klimaat, het beheer van nutriëntenstromen en deuitbreiding van exoten zoal de Japanse oester, die nopen tot herziening van vastestreefwaarden voor de aantallen vogels en voor het niveau van mosselproductie
- Verder onderzoek naar beheerste mosselzaadvisserij op de platen en alternatievenvoor mosselzaadwinning
- Betere bescherming van zeegrasvelden
- Meer aandacht voor de natuurwaarden in de delen van de Waddenzee die permanentonder water staan (het sublitoraal)
Bruno Ens, Aad Smaal en Jaap de Vlas.
NOOT VOOR DE REDACTIE
Voor meer inhoudelijke informatie kunt u contact opnemen met dr. Bruno Ens, tel.0222 369750, email: Bruno.Ens@WUR.NL
Voor verdere informatie kunt u contact opnemen met Bouke de Vos, persvoorlichterWageningen UR, tel 0317 480 180, e-mail: bouke.devos@wur.nl.