Onderzoekers van Wageningen Universiteit hebben als eersten aangetoond datTrichogramma-sluipwespen zich vegetatief kunnen vermeerderen na een natuurlijke infectie met Wolbachia bacterin die van een andere sluipwespensoort afkomstig is. De ontdekking maakt het voordehandliggender om de biologische bestrijding van rupsenplagen nog effectiever te maken door sluipwespen met Wolbachia te ontwikkelen en te gebruiken. De resultaten worden 7 maart gepubliceerd in het tijdschrift Proceedings of the Royal Society London, Biological Sciences.

Parasiterende Trichogramma wesp
De Wageningse entomoloog Ties Huigens vond samen met onderzoekers van Universiteit van Californi in Riverside dat Wolbachia bacterin tussen de soorten Trichogramma kaykai en Trichogramma deion overgedragen kunnen worden. Deze nauw aan elkaar verwante soorten komen naast elkaar voor in de Mojave woestijn (VS), en parasiteren op de zelfde vlinderachtigen. De resultaten maken duidelijk dat deze sluipwespen in de natuur regelmatig met Wolbachia genfecteerd raken doordat hun eitjes gezamenlijk met besmette eitjes van een andere sluipwespensoort in n vlindereitje terecht komen. Tot op heden ging de wetenschap er vanuit dat de overdracht van bacterin tussen sluipwespsoorten alleen 'op evolutionaire schaal' gebeurde, dus hoogstzelden.
Eerder had de Wageningse onderzoeker al aangetoond dat de overdracht van Wolbachia naar eitjes van de zelfde sluipwespensoort plaats vindt. Het is nu voordehandliggender om de infectie met Wolbachia in te zetten om de biologische bestrijding met Trichogramma's nog effectiever te maken. De resultaten laten namelijk zien dat er met de introductie van extra Wolbachiabacterin in Trichogramma geen risico ontstaat op extra overdracht van Wolbachia-bacterin die verstorend zou kunnen werken op ecosystemen. De overdracht vindt in de natuur immers ook al plaats.
Nu al op grote schaal Trichogramma-sluipwespen worden veelvuldig ingezet in de Nederlandse glastuinbouw voor de biologische bestrijding van rupsenplagen. De tuinders hoeven daardoor niet of nauwelijks tegen deze plaag te spuiten. De vrouwtjes leggen eitjes in de eitjes van vlinders en motten. De larven van de sluipwesp schakelen de rupsen uit, waardoor geen schade aan het gewas onstaat.
In de geslachtsorganen van de vrouwelijke sluipwespen komen regelmatig Wolbachia-bacterin voor. De bacterin leven daar in symbiose met de sluipwesp. Bijzonder is dat de Wolbachia-bacterie in staat is om de reproductie van de sluipwesp te benvloeden. De bacterie zorgt ervoor dat onbevruchte eitjes via zogenaamde vegetatieve vermeerdering uitgroeien tot vrouwtjes met het zelfde DNA-pakket als de moeder. Ook de bevruchte eitjes groeien uit tot vrouwtjes. Er worden dus geen mannelijke nakomelingen meer geproduceerd.
Zowel de bacterie als de tuinder hebben baat bij zo veel mogelijk vrouwtjes. Alleen vrouwtjes leggen eieren en kunnen daarmee plagen bestrijden en alleen vrouwtjes kunnen voor de bacterie als gastheer optreden.
Wageningen Universiteit publiceerde al in 1997 het feit dat de Wolbachia wellicht een goed aanknopingspunt zou kunnen zijn om de sluipwesp nog effectiever te maken voor de biologische bestrijding. De vraag was echter of sluipwespen in de natuur ook door Wolbachia genfecteerd raken, en op wat voor manieren dit gebeurt. Daar moest fundamenteel onderzoek van Wageningen Universiteit inzicht in geven.
In 2000 publiceerde Wageningen Universiteit al dat de overdracht van Wolbachia bnnen sluipwespensoorten regelmatig plaatsvindt.
De nieuwe resultaten geven aan dat er bij het gericht ontwikkelen en gebruiken van sluipwespen met Wolbachia geen sprake is van een drastische vergroting van de kans van kruisbesmetting tussen onverwante sluipwespensoorten.
Lijst nieuwsberichten 2004