Hoe kleiner de bek, hoe langer de snuit

  Nieuws
  Vaknieuws
  Wagenings commentaar
  Dossiers
  Perskamer
  Archief
  Agenda
  Nieuws
  2011
  2010
  2009
  2008
  2007
  2006
  2005
  2004
  2003
  2002
  2001
  2000
  RSS
  Agenda
  Open dagen
  Congressen en symposia
  Cursussen
  Promoties & Oraties

24 jan 2007
Onderdeel: Wageningen UR
Nummer: P007

Zeepaardjes en hun verwanten zijn prachtige, gracieuze en vooral fascinerende vissen. Nieuw onderzoek aan Wageningen Universiteit laat zien dat hun voorkeur voor een snelle hap de evolutie van hun uiterlijk heeft bepaald. Kleine prooien zijn het efficiëntst te bemachtigen met een lange snuit.

De dertig soorten zeepaardjes en hun naaste verwanten, de zeenaalden, mesvissen, trompetvissen, draakvissen en geestvissen zijn echte vissen met vinnen en kieuwen net als bijvoorbeeld stekelbaarsjes. Hoe is hun vreemde vorm te verklaren?

Om deze vraag te beantwoorden bestudeerden de onderzoekers Marc de Lussanet en Mees Muller van Wageningen Universiteit de voedselopname van zeenaalden en mesvissen. De roofvissen halen een aantal keren per minuut vliegensvlug uit om een hapje, zoals minikreeftjes, te nemen. Daarbij ontdekten de onderzoekers dat hun lange snuit deze vissen tot de snelste eters onder de gewervelde dieren maakt.

De twee onderzoekers bedachten dat met een lange snuit een kleine verdraaiing van de kop volstaat om de prooi de vangen. In het algemeen duurt een kleine draai korter dan een grote draai. Is de snuit echter te lang, dan wordt de kop zo zwaar dat de beweging weer langer duurt.

Hun berekeningen voorspelden "hoe kleiner de bek van de vis, hoe langer zijn snuit". Beperkende factor is de grootte van de prooi die erdoor moet passen. Is de bek groot en de snuit dik, dan is de voedselopname het snelst met een korte snuit.

Om deze voorspellingen te controleren voerde het onderzoeksteam precieze metingen uit, en een gedetailleerde analyse van hogesnelheidsfilms met 2000 beelden per seconde. Deze lieten zien dat de voorspelde samenhang tussen dikte en lengte van de snuit inderdaad bestaat. Dit betekent dat zeepaardjes bijzonder goed  aan hun omgeving zijn aangepast en dat ze in de evolutie buitengewoon efficiënt gevormd zijn. Daarin stuurt de grootte van de prooi de optimale lengte van de snuit van de vissen.

Zeepaardjes en hun verwanten leven meest tussen zeewieren en in koraalriffen, waar het geen evolutionair voordeel is snel te kunnen zwemmen. In plaats daarvan bieden hun vreemde lichaamsbouw en sierlijke bewegingen een uitstekende camouflage. Hun prooi, typisch kleine kreeftjes en ander plankton, vangen ze door het snel achterover wenden van de kop. Aangezien de prooi klein is, nemen ze  meermaals per minuut zo'n ‘snelle hap’. In het algemeen benaderen deze vissen hun prooi langzaam alvorens deze bliksemsnel op te slokken. Aangezien de beweging slechts 1/200e deel van een seconde duurt, werd ze pas ontdekt na de invoering van ultrasnelle filmtechnieken.

De onderzoekers van de leerstoelgroep Experimentele dierkunde publiceren hun bevindingen in Journal of the Royal Society Interface op 24 januari.


Noot voor de redactie
Nadere informatie bij dr. Marc de Lussanet (Momenteel onderzoeker aan de Universiteit van Münster), tel. 0049 251 833 4182, e-mail lussanet@psy.uni-muenster.de, bij dr. Mees Muller (Experimentele Dierkunde), tel. 0317 483928, e-mail mees.muller@wur.nl, of via Jac Niessen, wetenschapsvoorlichter Wageningen UR, tel. 0317 485003, e-mail jac.niessen@wur.nl
Print nieuwsbericht