Bij verhalen die de ronde doen over bijensterfte worden vaak genetisch gemodificeerde organismen als oorzaak genoemd (GGO’s of in het Engels GMO’s) en dan vooral genetisch gemodificeerde planten. Uit onderzoek blijkt dat bijna alle tot nu toe beschikbare GMO-gewassen ongevaarlijk zijn voor bijen en hommels. Indirecte effecten zijn wel belangrijk: een akker met een glufosinaat-resistent gewas zal voor bijen weinig of geen bloeiend onkruid herbergen. Dit staat te lezen in de nieuwste editie van de e-nieuwsbrief "Bijennieuws" van 2 juli 2008.
Genetische modificatie betekent letterlijk "het veranderen van erfelijke eigenschappen van een organisme". Dat kan langs ‘natuurlijke’ weg: door veredelen kunnen bepaalde eigenschappen in een organisme worden ingekruist. Meestal wordt dan niet van genetische modificatie gesproken. Het kan ook op ‘onnatuurlijke’ wijze: via een tussenorganisme worden genen van één organisme overgebracht in een heel ander organisme. Dat kunnen genen en bijbehorende eigenschappen zijn die helemaal niet van nature in dat organisme voorkomen. Dit wordt meestal begrepen onder genetische modificatie: het veranderde organisme is dan een GMO (genetically modified organism). Een GMO kan een bacterie zijn, een schimmel, een gist, een dier of een plant.
Omdat bijen zijn aangewezen op planten voor hun voedsel zijn vooral genetisch veranderde planten belangrijk. Bijen eten het stuifmeel met daarin het gen en het product van dat gen (vaak een eiwit). Afhankelijk welke stof wordt aangemaakt kan dat al dan niet schadelijk zijn voor de bijen.