De ongeregeldheden die zijn uitgebroken vanwege de hoge voedselprijzen staan niet op zichzelf. Structurele tekorten zijn niet uit te sluiten, aldus dr.ir. Prem Bindraban, teamleider Natuurlijke hulpbronnen bij Plant Research International van Wageningen UR:
“Door de hoge voedselprijzen zal de armoede verder toenemen, waarschuwen Wereldbank en IMF. Dit probleem van prijsstijgingen met als gevolg honger en armoede is geen incident. De oorzaken dieper liggen en zijn divers. De eenzijdige maatregel om verdergaande liberalisering van de voedselmarkten zet ons op een verkeerd spoor.
Decennia lang gold: “Er is genoeg voedsel, maar de verdeling is het probleem.” Omgerekend naar graaneenheden is er gemiddeld 2,5 kilo granen beschikbaar per wereldburger per dag. Dat volstaat voor een gezond dieet met een beetje vlees en zuivelproducten. Als Europeaan eten we 4.5 kilo, en de Afrikaan moet het doen met 1.4 kilo. Maar laten wij 1,5 kilo staan zodat de Afrikaan meer te eten heeft? Hoewel ethisch wenselijk, wijst de praktijk anders uit. Er is dus niet genoeg voedsel.
Wrang is verder dat arme mensen niet voorkomen in economische overwegingen van vraag en aanbod. Zonder geld kunnen ze immers niet om voedsel “vragen”. Er gaat dan ook geen alarmbel rinkelen om de voedselproductie te verhogen bij een miljard hongerige wereldgenoten die we sinds jaar en dag hebben. Vandaag zijn we wel gealarmeerd omdat mensen die tot voor kort basisvoedsel konden kopen de dupe zijn en de straat op gaan.
Omdat er geen (economische) noodzaak was om meer voedsel te produceren, is er de afgelopen drie decennia nauwelijks geïnvesteerd in landbouwontwikkeling. Vandaag balanceert de wereld op het scherpst van de snede. Het aanbod kan de toenemende koopkrachtige vraag uit opkomende economieën niet aan en biobrandstoffen nemen een hap uit het beschikbare voedsel. De spanning neemt verder toe bij tegenvallende opbrengsten, wat overigens niets nieuws is. Reserves worden aangesproken en leiden door speculaties tot spectaculaire prijzenstijgingen.
Financiële instellingen en landen met een sterk ontwikkelde landbouw schrijven als remedie voor om de grenzen open te gooien. Maar moet een land bij sociale onrust om voedseltekorten zich nog verder afhankelijk maakt van de bovengenoemde grillen van de internationale markt? Europa heeft na WO II met stevig overheidsingrijpen haar voedselvoorziening veilig gesteld. Aziatische landen hebben het belang van voedselsoevereiniteit goed begrepen en hebben een groene revolutie ontketend vanaf de 60-er jaren door daadkrachtige overheidsinterventies en ondersteuning vanuit het Westen. Landbouw is van primair belang in de opbouwfase van een land omdat het 30 tot wel 90 procent van de bevolking die leeft van en in de landbouw, meeneemt in de vaart der volkeren. Het opkopen van voedseloverschotten in jaren met goede opbrengsten en het weer op de markt brengen tijdens slechte jaren diende, bijvoorbeeld, om schommelingen in voedselprijzen binnen acceptabele grenzen te houden. Voedselzekerheid, stabiele economische ontwikkeling en sociale rust werden zo tegen minimale kosten veiliggesteld. Stimulerende en bufferende maatregelen voor de landbouw werden echter afgebroken onder de druk van liberalisering.
De tortillacrisis illustreert de gevolgen. Na de invoering van de vrijhandelszone met Amerika en Canada is Mexico overspoeld door goedkope maïs uit Amerika. Daardoor is de maïsproductie van vooral kleine boeren gedaald. Nu Amerika ruim een kwart van haar maïs voor ethanol gebruikt, betalen de afhankelijk geworden Mexicanen de rekening. De productie wordt wel weer hervat in Mexico, maar veelal door rijke (heren)boeren. Maar zo een shocktherapie leidt niet tot een stabiele groei waarbij kleine boeren uitgroeien dan wel langzamerhand worden overgenomen. Ook Afrika heeft haar landbouw verwaarloosd en industriële ontwikkeling nagestreefd, opgelegd door internationale financiële instellingen. Slechts een handjevol mensen heeft kunnen profiteren van die ontwikkelingen en de rest leeft in barre armoede.
Overigens kan de wereld voldoende voedsel voortbrengen. Huidige sentimenten tegen het eten van vlees moeten dan ook niet doorslaan. Onze keuze aan vegetarische producten voor een gebalanceerd dieet is overweldigend. Een lapje vlees minder is dan mooi meegenomen. Een stukje vlees méér doet echter wonderen voor de gezondheid van arme mensen met een eenzijdige maaltijd. Problemen als bloedarmoede, veelal bij moeder en kind, die leiden tot hoge sterfte, kunnen drastisch worden teruggebracht.
De oorzaken van de huidige spanningen in de voedselvoorziening zijn divers, betreffen te snelle veranderingen en zijn van structurele aard. Noodhulp moet het ergste leed verzachten. Op termijn moet het maximaal zekerstellen van de eigen voedselvoorziening van arme landen voorop staan. Het herstel van de verwaarloosde landbouw verdient hoge prioriteit, maar echte verbetering vraagt al gauw tien tot twintig jaar. De eerste verantwoordelijkheid ligt bij arme landen zelf, maar in onze mondiale wereld moeten de rijken hun steentje bijdragen. In 2005 kondigt de G7 met veel spektakel aan een Marshal plan voor Afrika te financieren. In 2007 rapporteert de VN dat de hulp juist is afgenomen. Ontwikkelingslanden hebben zodanige ondersteuning nodig dat ze niet meer zijn overleveren aan de grillen van de internationale markt, de vermeende goedgeefsheid van onze wereldleiders en de bedenkelijke trends van welvarende naties, zoals eenzijdige liberalisering, vegetarisme en biobrandstoffen.”
Deze tekst verscheen in iets verkorte en gewijzigde vorm op 24 april jl. als ingezonden stuk in de Volkskrant.