Zang verandert door versnippering

  Nieuws
  Vaknieuws
  Wagenings commentaar
  Dossiers
  Perskamer
  Archief
  RSS
  Agenda
  Open dagen
  Congressen en symposia
  Cursussen
  Promoties & Oraties

1 dec 2005
Onderdeel: Wageningen UR

Een vogel die een deel van zijn habitat verliest, gaat anders zingen. Verandering in vogelzang kan daarom gebruikt worden als een indicator bij het waarnemen van verstoringen in het ecosysteem. Dat blijkt uit nieuw onderzoek gepubliceerd in het British Ecological Society’s Journal of Applied Ecology. Een verrassend nieuw inzicht?

 

Dr. Rien Reijnen, vogelonderzoeker bij Alterra:

‘Dat vogels hun zang aanpassen is bekend. Vorig jaar publiceerde Nature nog een onderzoek van Leidse onderzoekers die ingingen op het veranderende zangpatroon van koolmezen die hun habitat in de stad hebben. Hun zang is over het algemeen wat hoger dan bij de klassieke koolmees op het platteland, simpelweg om boven het lage gedreun van de stad uit te komen. Iets dat ook bekend is bij vogels die zich veel ophouden langs snelstromende rivieren en beekjes. Om te communiceren met het andere geslacht en rivalen van het eigen geslacht is een duidelijk herkenbare zang erg belangrijk.

In hoeverre dergelijke variaties in zang erfelijk bepaald zijn of aangeleerd, is altijd moeilijk te zeggen. Veel vogelsoorten kennen bijvoorbeeld ook dialecten. De geelgors in Duitsland zingt duidelijk hoorbaar anders dan zijn soortgenoten in Nederland. Voor een deel zou dit gewoon een genetische variatie in de populatie kunnen zijn, maar vogels leren ook van elkaar en zo’n variatie kan heel goed een aangeleerde gedragsverandering zijn.


Of vogels hun zang aanpassen wanneer hun habitat kleiner wordt, hebben wij nooit onderzocht. Wel onderzocht ik voor mijn proefschrift de veranderingen in broedvogelpopulaties van onder andere de fitis bij snelwegen en verkeer. Wat bleek was dat er bij dergelijke obstakels in de habitat een scheiding optreedt in de populatie. Bij het zoeken naar een territorium zijn het de jonge mannetjes die eerder de omgeving van de snelweg kiezen en de oude mannetjes die uit ervaring weten dat daar minder vrouwtjes te krijgen zijn. Relatief vind je dus meer jonge mannetjes bij de snelwegen en concentreren de oudere mannetjes zich daar waar de vrouwtjes te krijgen zijn.


Omdat deze jonge mannetjes het zingen vaak nog moeten leren van hun oudere soortgenoten, is het dus goed denkbaar dat een verandering binnen de habitat zangvariaties kan veroorzaken. Want er kan dan dus vanwege een scheiding in de populatie minder van elkaar geleerd worden. Vrouwtjes zullen dan in eerste instantie de best zingende mannetjes kiezen waardoor de slechte, onervaren zangers achter het net zullen vissen. Maar wanneer ook deze vrouwtjes gedwongen zijn zich te differentiëren van de oude populatie, zullen ze hun eisen aanpassen. Zo zie je dus dat een koolmeesvrouwtje in de stad wel luistert naar de nieuwe zang van haar stadse minnaars. Of dit een ‘bij gebrek aan beter’ is of echt een smaakverandering, is natuurlijk lastig te zeggen.


Of dergelijke veranderingen ook kunnen leiden tot nieuwe ondersoortvorming binnen de oude populatie is een lastige discussie. Wíj zijn het die de afspraken hebben gemaakt over wat een soort is. Of vogels zich daar aan houden is de vraag.’ |
Martijn Vink

 


Print nieuwsbericht