Tien jaar sinds MKZ

  Wageningen University
  Contract research
  Wettelijke Onderzoekstaken
  Onderzoeksdomein
  Onderzoeksprojecten
  Rankings- / Citatie-indexen
  Expertzoeker
  Research Blog
  2011
  augustus
  juni
  mei
  april
  maart
  februari
  januari
  december
  november
  oktober
  september
  2010
  2012
  Internationale Projecten
  Samenwerking bedrijfsleven

  • 14-04-2011
  • Aldo Dekker

Het is tien jaar geleden dat Nederland werd getroffen door een uitbraak van mond-en-klauwzeer (MKZ). MKZ is een zeer besmettelijke dierziekte die nog op vele plaatsen in de wereld voorkomt. Als MKZ voorkomt in een land dat eerder vrij was van de ziekte zullen andere landen gedurende langere tijd geen dieren en dierlijke producten uit dat land willen ontvangen. Voor een land als Nederland, dat erg afhankelijk is van export van dierlijke producten, zal een uitbraak van MKZ tot enorme schade leiden. Voorafgaande aan de uitbraak in Nederland in 2001, was MKZ een maand eerder al uitgebroken in het Verenigd Koninkrijk, waardoor Nederland al in verhoogde staat van paraatheid verkeerde, en al extra maatregelen genomen waren om insleep en versleep van de ziekte te voorkomen. Dit kon echter niet voorkomen dat op 21 maart 2001 MKZ werd vastgesteld op een Nederlands bedrijf. Dat de uitbraak in Nederland uiteindelijk beperkt is gebleven tot 26 besmette bedrijven en maar een maand duurde, is grotendeels te danken aan de strikte maatregelen die genomen werden om de uitbraak te bestrijden.

Uniek aan de aanpak van Nederland was het gebruik van noodvaccinatie. Hoewel deze bestrijdingsmaatregel door de Europese MKZ-richtlijn wordt toegestaan, was dit nog niet eerder toegepast sinds de Europese Unie gestopt was met preventieve vaccinatie tegen MKZ in 1992. Omdat noodvaccinatie tijdens een MKZ-uitbraak nog niet eerder was toegepast, was nog veel onduidelijk. Konden MKZ-geïnfecteerde dieren voldoende onderscheiden worden van MKZ-gevaccineerde dieren? Kon het virus zich toch nog ongemerkt verspreiden in een gevaccineerde populatie? Wat was het risico voor buurlanden en handelspartners? Om deze redenen zijn alle 186.645 gevaccineerde dieren later alsnog geruimd. In opdracht van de Nederlandse overheid heeft het Central Veterinary Institute (CVI), onderdeel van Wageningen UR, de afgelopen tien jaar veel onderzoek gedaan om deze vragen te kunnen beantwoorden. Door dit onderzoek is meer inzicht verkregen in de werkzaamheid en veiligheid van noodvaccinatie, en mede hierdoor zijn internationale regels aangepast. Hierdoor kan nu - bij een volgende uitbraak van MKZ - noodvaccinatie ingezet worden waarna de gevaccineerde dieren niet hoeven worden afgevoerd en kunnen blijven leven.

Test maakt onderscheid geïnfecteerd en gevaccineerd mogelijk
Om de MKZ-testen die onderscheid kunnen maken tussen geïnfecteerde en gevaccineerde dieren (de zogenoemde DIVA-testen, Discrimination of Infected and Vaccinated Animals) te valideren, werd in 2004 een internationale workshop georganiseerd. Bij deze workshop had het Central Veterinary Institute een belangrijke rol, door testmateriaal in te brengen. In deze workshop werden 6 testen gevalideerd die onderscheid kunnen maken tussen geïnfecteerde en gevaccineerde dieren, de genoemde DIVA-testen. Uit de vergelijking bleek dat de testsensitiviteit van de DIVA-testen weliswaar lager is dan die bekend was van conventionele testen, maar hoog genoeg om de antilichaamrespons tegen het virus in een groep gevaccineerde dieren te detecteren.

Verder is een groot aantal transmissie-experimenten uitgevoerd in varkens, jonge kalveren, melkgevende koeien en schapen, waarin werd aangetoond dat spreiding van MKZ in een gevaccineerde populatie niet plaatsvindt of, als het wel plaatsvindt, voldoende klinische symptomen laat zien zodat het niet ongemerkt blijft. Hiermee is aangetoond dat noodvaccinatie spreiding van MKZ-virus kan voorkomen en daarmee is de zorg dat vaccinatie de spreiding kan maskeren weggenomen.

Met behulp van deze kwantitatieve gegevens over spreiding tussen dieren, en de gegevens over spreiding van het MKZ-virus tussen bedrijven in Nederland in 2001, is een epidemiologisch simulatiemodel ontwikkeld. Met dit epidemiologisch simulatiemodel kan de effectiviteit van verschillende bestrijdingsstrategieën worden vergeleken. De belangrijkste uitkomst is dat in een gebied met een hoge veedichtheid bestrijding met noodvaccinatie leidt tot een kortere epidemie, minder besmette bedrijven en minder niet-gedetecteerde geïnfecteerde dieren in vergelijking met bestrijding volgens de standaard EU-maatregelen. De resultaten van het epidemiologisch simulatiemodel dienden als input voor een economisch model ontwikkeld door het LEI, onderdeel van Wageningen UR, waaruit blijkt dat noodvaccinatie ook vanuit kostenoogpunt de te prefereren strategie is. De modelstudie laat ook zien dat nadat alle gevaccineerde dieren getest zijn in een laatste testronde, noodvaccinatie geen verhoogd risico oplevert voor de handelspartners.

Inzetten voor aanpassen internationale regelgeving
De resultaten van het CVI-onderzoek ondersteunen het Nederlandse beleid om noodvaccinatie voor het leven toe te passen bij een toekomstige MKZ-uitbraak. Echter, de internationale regelgeving straft landen die dit doen nog steeds af, doordat in deze internationale regels handelsbeperkingen later worden opgeheven na een bestrijding met vaccinatie, waardoor het risico bestaat dat veel dieren vanwege welzijnsproblemen moeten worden gedood. Onze studies hebben laten zien dat voor de aanname voor een groter risico bij gebruik van noodvaccinatie geen wetenschappelijke basis is. Daarom zal het CVI zich in de toekomst blijven inzetten om noodvaccinatie zonder extra handelsbeperkingen geaccepteerd te krijgen in de internationale regelgeving van zowel de OIE (World Organisation for Animal Health) als de EU.

Aldo Dekker
Onderzoeker Central Veterinary Institute

Reageer: