Vispassages en aangepast sluisbeheer voor verbeterde glasaalintrek

  News
  Newsroom
  Dossiers
  Archive
  Calendar
  News
  2011
  2010
  2009
  2008
  2007
  2006
  2005
  2004
  2003
  RSS
  Calendar
  Open days
  Courses
  Congresses and symposia
  PhD-graduations and speeches

2 Jun 2006
Unit: Wageningen UR

Sluiscomplexen op de grens van zout en zoet water kunnen een serieuze optrekbarrière vormen voor glasaal. Vispassages worden aangelegd en sluisbeheer wordt aangepast om de glasaalintrek te verbeteren.

 

Deze maatregelen gaan uit van glasaal die tegen een zoete lokstroom opzwemt. Deze aanname strookt echter niet met dat wat bekend is uit wetenschappelijke literatuur over de glasaalintrek: glasalen zullen vooral met de stroom mee willen zwemmen, niet er tegen in: Het schutten van glasaal, het op een kier zetten van sluisdeuren tijdens laagwater, of het aanbieden van aalgoten of andere lekstroompassages is dus ineffectief. Glasaal weet het binnenwater kennelijk vooral te bereiken ondanks, in plaats van dankzij, al deze goed bedoelde apparatuur en beheersmaatregelen.

 

Tegen deze achtergrond heeft Wageningen IMARES in het voorjaar van 2005 in samenwerking met het Waterschap Hunze en Aa’s en studenten van de Hogeschool Zeeland een vergelijkende studie uitgevoerd op basis van een aalgoot en een hevel. Deze studie vond plaats bij het sluiscomplex van Nieuwe Statenzijl in Groningen en de Bergse Diepsluis in Zeeland. Duikwaarnemingen voor de Bergse Diepsluis in 2005 en 2006 zijn gebruikt in aanvulling op de hevel- & gootwaarnemingen.

 

Doel van deze studie was om een beter beeld te krijgen van het intrekgedrag van glasaal voor sluisdeuren en om te bepalen of de intrek van glasaal op de grens van zoet en zout kan worden verbeterd door gebruik te maken van hevelsystemen.

 

De resultaten lieten zien dat bij hoogwater bijna 10 keer meer glasalen introkken via de hevel dan via de goot. Verder werden in de hevel grote hoeveelheden stekelbaarzen, steurgarnalen, aasgarnalen, vlokreeften, en wolhandkrabben gevangen, en ook andere vissen zoals grote zeenaald, pos, spiering, baars, grondel, bot en blankvoorn. In de goot, daarentegen, werden naast glasaal alleen kleinere hoeveelheden stekelbaarzen aangetroffen. De hevel was dus veel effectiever dan de goot, niet alleen voor de glasaal, maar ook voor veel andere vissen en kreeftachtigen.

 

Duikwaarnemingen lieten zien dat bij laagwater de glasaal zich concentreerde in de bovenste halve meter van de waterkolom, direct voor de sluisdeuren, als gevolg van zoetwaterlokstromen uit de kieren van het sluiscomplex. Echter, de stroomsnelheden in deze kieren waren dan te groot om doortrek mogelijk te maken. Bij hoogwater concentreerde de glasaal zich direct voor de deur van het sluiscomplex, verspreid over de waterkolom. Grote aantallen glasalen wisten dan door kieren met de stroom mee het achterland te bereiken.

 

Deze resultaten impliceren dat de intrek van glasaal sterk kan worden verbeterd met relatief kleine openingen in en rond sluisdeuren en hevelsystemen, waardoor de glasaal bij hoogwater, met de zoutwaterstroom mee, het zoete water in kan trekken. Contactpersoon:

Dr. ir. T.P. Bult

tammo.bult@wur.nl 


Print newsitem