Dossier Discards / Bijvangst

Dossier

Discards - Ongewenste bijvangst

In dit dossier wordt ingegaan op de recente EU-maatregel dat ondermaatse vis niet meer teruggegooid mag worden - de zogeheten 'aanlandplicht'. Ook vindt u nieuws en resultaten van onderzoek naar zogenaamde discards (ongewenste bijvangst die overboord gaat).

Totale leestijd: 8 minuten

Discards – wat zijn dat eigenlijk?

Wanneer de vissers naar zee gaan, vangen ze door de manier waarop hun vistuig en netten zijn ingericht niet alleen de vis die ze willen vangen (maatse, commerciële doelsoorten), maar ook andere soorten, ondermaatse vis en benthos (zoals bijv. krabben en zeesterren). Een deel hiervan brengen ze aan wal om te verkopen, maar een ander deel zetten ze weer over boord. Dat deel, dat weer over boord gaat, wordt vaak aangeduid als discards.

Waarom discarden?

Er is een aantal redenen voor het discarden van vis in zee. Het spreekt vanzelf dat als een visser zijn vangst mag verkopen en er goed voor betaald wordt, hij die vangst niet terug zal gooien. Vissers opereren steeds tussen twee bepalende factoren: regelgeving en de markt.
De belangrijkste redenen voor discards zijn:

  1. De vangst heeft geen of weinig waarde (voorbeelden zijn: zeesterren worden niet gegeten; voor schar is een krappe markt wat invloed heeft op de prijs [vraag/aanbod]);
  2. De vangst is beschadigd;
  3. De vangst mag volgens de regelgeving niet aangeland worden (voorbeelden zijn: een visser heeft geen vangstrecht voor de betreffende vis of de vis is kleiner dan de minimummaat die is gesteld);
  4. Soms gooien vissers bepaalde maten vis terug omdat andere maten interessanter zijn (die meer geld opbrengen, zeker bij een knellend quotum). Dit wordt high-grading genoemd, en is verboden.

Hoe beter een visser alleen die vis boven water haalt die hij ook echt wil hebben, hoe selectiever hij vist. Deze selectiviteit hangt af van een aantal factoren zoals visserijtechniek, methode, maaswijdte, doelsoort, seizoen, weer, visgebied en het gedrag van de visser (bijvoorbeeld keuze van visgebied). Door deze factoren is de selectiviteit van een visserij variabel. Ook de regelgeving en de markt spelen hierbij een rol: sommige aanpassingen in de netten die selectiviteit kunnen bevorderen mogen niet worden gebruikt; soms zijn bepaalde aanpassingen wel gunstig om discards te verminderen, maar hebben ze een ongunstig effect op het aandeel dure vis in de vangst.

Aanlandplicht

In Juni 2011 schreef de Europese Commissie een voorstel om een aanlandingsplicht in te stellen omdat discarden wordt geassocieerd met verspilling. In februari 2013 hebben het Europese Parlement en de Europese raad uiteindelijk voor een aanlandplicht (discardban) gestemd.

In 2015 is een aanlandplicht geïntroduceerd in de pelagische visserij (visserij op vissoorten die in scholen zwemmen, zoals haring en makreel). Tussen 1 januari 2016 en 1 januari 2019 wordt de aanlandplicht gefaseerd ingevoerd in de demersale (bodem-) visserij. Deze aanlandplicht betekent echter niet dat alle discards aan land gebracht moeten worden: de aanlandplicht geldt alleen voor de zogenaamde doelsoorten. Voor de Nederlandse platvisvissers op de Noordzee gaat het dan over schol en tong. Alle andere ongewenste bijvangst moet dus gewoon overboord. Omdat de aanlandplicht in fases wordt ingevoerd, geldt in 2016 bijvoorbeeld voor de Noordzeevissers die op tong vissen met de puls- of boomkor in principe dat alleen de vangsten van ondermaatse tong tussen 19 en 24 cm moet worden aangeland.

Door het discarden van gequoteerde commerciële soorten aan banden te leggen, verwacht de EU dat de visserij zal gaan investeren in innovaties die hun visserij selectiever maken. De Europese Unie verwacht daarmee dat deze aanlandplicht uiteindelijk zal leiden tot een selectievere visserij, met minder ecologische impact, en betere visbestanden. De gedachte hierachter is dat dit zich op de langere termijn vertaalt in een rendabele en gezonde visserij.

Uitzonderingen

In de huidige regelgeving is een aantal uitzonderingregels op de aanlandplicht opgenomen:

  1. Vis waarvoor een vangstverbod geldt: Het blijft verboden om op soorten die volgens de Europese wetgeving niet mogen bevist worden aan boord te houden en aan te landen. Het gaat hier bijvoorbeeld om bedreigde haaien- en roggensoorten. Deze soorten moeten nog steeds zo snel mogelijk en ongedeerd overboord gezet worden.
  2. Vis met een hoge overlevingskans: Soorten waarvan wetenschappelijk vaststaat dat zij een hoge overlevingskans hebben in een bepaalde visserij hoeven niet te worden aangeland.
  3. 9% soortflexibiliteit: Wanneer het quotum van een bijvangstsoort wordt overschreden, mag de hoeveelheid overschreden quotum (maximaal 9%) van het quotum van de doelsoort worden afgetrokken. Dit geldt alleen als er niet de bestanden van de bijvangstsoorten binnen veilige biologisch grenzen zijn.
  4. Vis waarvoor een “de-minimis” vrijstelling geldt: In de Europese discardsplannen is voor bepaalde visserijen waarvan uit degelijke onderbouwing is gebleken dat het moeilijk is een grotere selectiviteit te bereiken, of waarvoor geldt dat er onevenredig hoge kosten gemoeid zijn met de aanlanding van ongewenste vangsten een “de-minimis” vrijstelling opgenomen. Alle vangsten onder een de-minimisvrijstelling mogen tot een bepaald maximum worden teruggegooid maar van zodra de vrijstelling is uitgeput, moeten alle vangsten aan boord worden gehouden en aangeland.
  5. Vis die door predatoren toegebrachte schade vertoont: incidenteel gevangen vissen die zijn aangevreten door bijvoorbeeld zeehonden, roofvissen of vogels moeten worden teruggegooid.

Gevolgen?

Met steun van het Europese Visserijfonds “Investering in duurzame visserij” wordt met de visserijsector onderzoek gedaan naar de aanlandplicht. Zo vindt er onderzoek plaats naar de overlevingskansen van ongewenste bijvangst van ondermaatse schol en tong en wordt gekeken hoe de overlevingskans kan worden verbeterd. Ook worden netaanpassingen getest om selectiever te vissen. Als onderdeel van dit onderzoek wordt ook gekeken naar de effecten van de aanlandplicht voor de visbestanden en de economische gevolgen voor de sector. Voor effectenonderzoek van de aanlandplicht op het grotere voedselweb van het Noordzee-ecosysteem is geen financiering beschikbaar.

Onderzoek naar discards en de aanlandingsplicht

De EU verwacht dat de vissers veel meer gebruik zullen maken van hun kennis van discards en hoe die te vermijden. Door anders te vissen met reeds bestaande tuigen, door nieuwe vistechnieken te ontwikkelen en door in andere gebieden of tijden te vissen kunnen discards waarschijnlijk deels vermeden worden.

In opdracht van het Ministerie van EZ doet Wageningen Marine Research al jarenlang onderzoek naar discards. Discards hebben een invloed op de visbestanden en het ecosysteem. Voor een aantal visbestanden wordt in de bestandsschatting ook rekening gehouden met de hoeveelheid discards (zoals bij schol en tong). Onderzoek doen naar discards is daarom ook één van de wettelijke onderzoekstaken van Wageningen Marine Research.

Dit onderzoek vindt plaats op zee, aan boord van commerciële visserijschepen in de voor Nederland belangrijkste vormen van visserij:

  1. de pelagische visserij gericht op haring, blauwe wijting, makreel en horsmakreel;
  2. de demersale (bodem-) visserij;
  3. de garnalenvisserij;
  4. de staandwantvisserij.

De aantallen discards variëren per type visserij en tuig, visgrond en periode van het jaar. Ook tussen de jaren kunnen er grote verschillen bestaan.

De bemonstering van discards vindt plaats d.m.v. twee verschillende bemonsteringsmethoden. De eerste meer conventionele methode gebeurt door middel van het meesturen van waarnemers (Wageningen Marine Research-medewerkers) aan boord van bedrijfsschepen. Tijdens een waarnemersreis worden door Wageningen Marine Research vangst en discards per trek bemonsterd. Bij de tweede methode, ook wel zelfbemonstering genoemd, wordt gebruik gemaakt van een referentievloot. Deze vloot bestaat uit een groep schepen die op gezette tijden zelf monsters nemen van hun discards en aanlanden voor wetenschappelijk onderzoek. Hier wordt de verantwoordelijkheid van de bemonstering dus bij de visser zelf gelegd en hiermee krijgt deze direct een aandeel in het onderzoek. Medewerking van de visserijsector, onafhankelijk van de gebruikte bemonsteringsmethode, is steeds van groot belang.