Dossier

Welzijn vleeskuikens

De genetische selectie van vleeskuikens op snelle groei en efficiënte voerbenutting, de huisvesting en het management heeft tot gevolg dat het welzijn van de kuikens onder druk staat. Wageningen University & Research onderzoekt de mate waarin welzijnsproblemen voorkomen en bekijkt manieren om de problemen aan te pakken, bijvoorbeeld door aanpassingen in de huisvesting van vleeskuikens. Belangrijke welzijnsproblemen bij vleeskuikens zijn voetzoollaesies, locomotie problemen en beperking in natuurlijk gedrag.

Welzijn vleeskuikens

De Nederlandse overheid en de vleeskuikensector (PPE) ondersteunen onderzoek naar het welzijn van vleeskuikens zoals het project ‘Multi-inzetbare welzijnsmonitor vleeskuikens’. In dit project wordt bestudeerd of de welzijnsmonitor kan dienen als management sturingsinstrument voor de pluimveehouder. Er wordt ook gekeken naar de effectiviteit van managementmaatregelen op het dierenwelzijn, inclusief de locomotie van vleeskuikens.

Voetzoollaesies

Voetzoollaesies is een pootaandoening die regelmatig voorkomt en die ongunstig is voor het welzijn van vleeskuikens. De oorzaak is vaak een slechte kwaliteit van strooisel. Wageningen Livestock Research heeft in de afgelopen jaren een aantal onderzoeksprojecten uitgevoerd naar voetzoollaesies bij vleeskuikens. Het onderzoek was onder andere naar de mate waarin voetzoollaesies voorkomen, hoe ze objectief gemeten kunnen worden en hoe het management kan worden aangepast ter preventie.

_WUR7423.jpg
inspectie.jpg

Locomotie problemen

Onderzoek naar locomotie betreft de problemen rondom de beweging van vleeskuikens. Onderzoek toont aan dat locomotieproblemen gerelateerd zijn aan de genetische achtergrond van vleeskuikens. Door snelle gewichtstoename in combinatie met een zich nog ontwikkelend botstelsel loopt het kuiken een risico op locomotieproblemen. Ook de huisvestingsomstandigheden spelen een rol.

Gait Score

De zogenaamde ‘gait score’ is een beoordelingssysteem voor locomotie van vleeskuikens. Deze ‘gait score’ deelt de kuikens in zes klassen in op basis van de wijze waarop ze zich kunnen voortbewegen. De ‘gait score’ legt geen relatie met de achtergrond van de locomotie problemen, en er kan geen onderscheid gemaakt worden tussen problemen met pathologische achtergrond of verminderde locomotie door een fysieke onbalans van het kuiken.

Klasse Korte omschrijving
Gait score 0 Geen afwijking zichtbaar. Kuiken loopt vlot en behendig en niet schommelend. Tenen gekruld als de poten worden opgetild.
Gait score 1 Zeer lichte afwijking; bijvoorbeeld ongelijke passen. Snelheid en behendigheid worden niet negatief beïnvloed.
Gait score 2 Duidelijk afwijkende loopwijze met aanwijsbare reden. Het gedrag wordt echter nog niet in negatieve zin beïnvloed; kuiken is nog steeds snel en nog redelijk behendig.
Gait score 3 Een duidelijk verminderde locomotie die het gedrag beïnvloedt. Zoals hinken, spreidstand, onregelmatig lopen. Het kuiken loopt bij voorkeur korte afstanden en gaat zitten als het niet gemotiveerd wordt om te lopen.
Gait score 4 Ernstige afwijking in locomotie. Kuiken loopt een paar stappen als het daartoe gedwongen wordt maar zal anders alleen zitten. Beïnvloedt in sterke mate het gedrag.
Gait score 5 Kuiken kan niet meer lopen.

De gait score kan alleen worden toegepast na een gedegen training van de beoordelaars.

Verschillende typen vleeskuiken worden van elkaar onderscheiden op basis van hun groeisnelheid. ‘Gangbare’ vleeskuikens bereiken een gewicht tussen 2-2,5 kg in ongeveer 35 dagen. Langzamer groeiende rassen bereiken een zelfde slachtgewicht over een langere periode (49 dagen of meer), zoals beschreven staat in publicatie Vleeskuikenproductiesystemen in Nederland. Voorbeelden zijn biologisch (groeiperiode meer dan 70 dagen) of kuikens geproduceerd onder het Beter Leven één ster kenmerk (groeiperiode van 56 dagen).

Welzijnsmonitor vleeskuikens

De mate waarin locomotieproblemen bij vleeskuikens in Nederland voorkomen is niet duidelijk. Er is in 2011 wel een onderzoek uitgevoerd naar de Welfare Quality® welzijnsmonitor voor vleeskuikens [Wageningen Livestock Research rapport 533], maar bij dit onderzoek werden data uit diverse jaren en diverse landen gebruikt. In het onderzoek werd de locomotie gemeten tussen 1 en 5 dagen voor het slachten van de kuikens met behulp van de gait score. Er werd daarbij gekeken naar 139 gangbare vleeskuiken koppels (een koppel bevat alle vleeskuikens uit een stal die tegelijk worden geleverd bij de slachterij) en 41 koppels langzamer groeiende vleeskuikens (scharrel met overdekte uitloop, scharrel met vrije uitloop en biologisch).

Uit dit onderzoek blijkt dat 57% van de gangbare kuikens en 17% van de langzamer groeiende kuikens een gait score kreeg van drie en hoger. Een groot deel van de gangbare kuikens (48.8%) en nagenoeg alle langzamer groeiende kuikens kregen een gait score van 3, wat betekent dat ze zich nog wel kunnen voortbewegen maar een duidelijke afwijking van het lopen laten zien. Van de gangbare kuikens was 7.6% echt mank en kon nog maar een paar stappen verzetten (gait score 4) en minder dan 1% kon helemaal niet meer lopen (gait score 5). Ter vergelijking, voor de langzamer groeiende kuikens bedroeg het percentage kuikens met een gait score van 4 minder dan 1%.

Recente en betrouwbare cijfers over locomotie problemen bij vleeskuikens in andere EU landen zijn er niet. Een studie uit 2008 spreekt over 27,8% van de kuikens met een gait score van 3 en hoger bij koppels vleeskuikens in de UK, maar volgens de auteurs is dat een conservatieve schatting.

Milieu

Belangrijke milieuverontreinigende componenten uit de agrarische sector zijn ammoniak, broeikasgassen, fijnstof, geur (lucht), fosfaat en nitraat (bodem). Een term die ook wordt gebruikt ten aanzien van het broeikaseffect is de zogenaamde ‘carbon footprint’. Het gaat dan over de effecten van het energieverbruik en het voer. Landgebruik heeft betrekking op de verbouw van gewassen ten behoeve van voer.

In rapport 619 (Vleeskuikenproductiesystemen in Nederland) is een analyse gemaakt van de beschikbare informatie over de effecten van de verschillende productiewijzen in de vleeskuikensector ten aanzien van de diverse milieuaspecten.

Lucht

De mest is de grootste bron van emissies, maar ook de dieren als het gaat om fijnstof. De hoogte van de emissies is gerelateerd aan de leeftijd van de dieren, de bezetting, hoeveelheid en samenstelling van het voer, de structuur en de samenstelling van de mest, de buitentemperatuur en de luchtsnelheid in de stal. Het samenspel van deze factoren bepaalt het overall milieueffect, maar zijn moeilijk optelbaar en aftrekbaar. In diverse rapporten wordt de invloed van de factoren op de emissies nader toegelicht.

Op basis van een analyse door deskundigen heeft de overheid de emissies van ammoniak, geur en fijnstof per dierplaats voor de alternatieve houderijsystemen gelijk gesteld aan die van de reguliere houderij. Omdat bij de reguliere houderij per dierplaats een hogere productie in kilogrammen wordt gerealiseerd, is de emissie uitgedrukt per kg product voor de alternatieve houderijsystemen hoger.

Emissies van methaan en lachgas uit een vleeskuikenstal zijn laag. Ook hier is geen verschil tussen regulier en alternatief gehouden dieren bekend.

Vanaf een uitloop kunnen ook emissies ontstaan. Er wordt vanuit gegaan dat deze emissies per dier niet als extra gerekend hoeven te worden ten opzichte van de emissies uit de stal. De mest, als belangrijkste emissiebron, die op de uitloop terecht komt emitteert immers niet in de stal

Rapport Fijnstofemissie uit stallen: vleeskuikens

Bodem

Op basis enkele studies blijkt dat op de uitloop (verplicht bij enkele alternatieve productiesystemen), met name de ruimte dicht bij de stal, zoveel mest terecht kan komen, dat de hoeveelheden stikstof en fosfaat hoger zijn dan toegestaan in de mestwetgeving. Voor het gedeelte ver van de stal verwijderd speelt dit niet.

Rapport Emissiefactoren methaan, lachgas en PM2,5 voor stalsystemen

Energieverbruik

Op een vleeskuikenbedrijf wordt elektra gebruikt voor de ventilatie, verlichting en aandrijving van motoren voor de voer- en watervoorziening. Vanwege de gewenste hoge staltemperatuur in de eerste weken van de groeiperiode is er ook verwarming nodig. Hiervoor kunnen zowel gas als alternatieve brandstoffen (houtkachels) worden gebruikt. Er zijn niet veel verschillen tussen regulier en alternatief gehouden vleeskuikens wat betreft gebruikte technieken voor ventilatie, verlichting en verwarming. Alleen is bij biologische houderij de eis dat er natuurlijke ventilatie en daglicht aanwezig is. Daglicht is ook een eis bij andere alternatieve productiewijzen. Hierdoor zal het elektraverbruik bij deze productiewijzen lager zijn. Vanwege de lagere bezetting bij de alternatieve productiewijzen is het energieverbruik voor de verwarming waarschijnlijk hoger, maar hierover zijn geen gegevens beschikbaar. Een enkele studie wijst op een hoger energieverbruik voor de alternatieve productiesystemen als dit wordt uitgedrukt in het verbruik per kg geproduceerd product.

Voerverbruik

Vleeskuikens kunnen efficiënt met hun voer omgaan. Door een optimale voersamenstelling is de voederconversie (de hoeveelheid voer per kg groei) ten opzichte van andere diersoorten erg laag. Bij de alternatieve productiewijzen wordt veelal gebruik gemaakt van een trager groeiend dier, met een lagere voerefficiëntie (langere groeiperiode, meer onderhoudsvoer nodig). Daarnaast worden bij de alternatieve productiewijzen andere eisen gesteld aan de voersamenstelling (bij biologisch mogen bijvoorbeeld geen synthetische aminozuren worden gebruikt). Het gevolg van deze lagere efficiëntie en voersamenstelling is dat bij de op deze wijze gehouden dieren de voederconversie hoger is.

Carbon footprint

De carbon footprint telt alle broeikasgasemissies tijdens het hele productieproces op door ze om te rekenen naar CO2-equivalenten. Hierbij wordt ook gekeken naar de productie van veevoedergrondstoffen en de slachterijfase. Uit diverse studies blijkt dat de productie van vleeskuikenvlees in verhouding tot andere vleessoorten de laagste bijdrage levert aan het broeikaseffect.

Zoals eerder vermeld zijn de emissies van lachgas en methaan uit vleeskuikenstallen gering. Ook de CO2 door verbranding van fossiele brandstoffen zijn laag. Uit alle studies blijkt dat het voer de grootste bijdrage geeft aan het broeikaseffect door lachgasemissies tijdens de teelt. Dit vindt zijn weerslag in het verschil in voerefficiëntie. In dat opzicht is de bijdrage van de alternatieve productiewijzen van vleeskuikens vermoedelijk hoger dan van de reguliere productiewijze. Enkele studies waarbij de productiewijzen zijn vergeleken wijzen in die richting.

Rapport:Emissies van broeikasgassen, ammoniak, fijn stof en geur in de mestketen

Diergezondheid

Er komen ook bij vleeskuikens diverse ziekten voor. Deze zorgen voor groeivertraging of sterfte. Om ziekten te bestrijden worden de dieren geënt of er worden medicijnen (zoals antibiotica) gebruikt.

Sterfte

De sterfte kan worden gezien als een belangrijke parameter met betrekking tot de gezondheid van de dieren. De sterfte wordt berekend ten opzichte van het totaal aantal in de stal geplaatste dieren. In het vleeskuikenbesluit is het voor bedrijven, die naar een hoge bezetting willen, een verplichting om de sterfte te registreren. Als de sterfte te hoog is, zijn sancties mogelijk in de vorm van (tijdelijk) een lagere bezetting. Uit de geregistreerde gegevens komt niet naar voren dat er een systematisch verschil is tussen de diverse productiewijzen van vleeskuikens.

Antibiotica

Om het gebruik van antibiotica terug te dringen is er sinds 1 januari 2011 een registratieplicht. De gegevens worden ingevuld in een centrale database. Samen met de gegevens van de bedrijven over de wijze van productie, is na te gaan of er verschil is in het antibioticagebruik tussen de productiewijzen. Omdat de tijdsperiode van registratie en het aantal bedrijven met ‘alternatieve’ productie nog beperkt is, zijn over verschillen tussen productiewijzen nog geen harde uitspraken te doen. Hierbij moet worden opgemerkt dat het gebruik van antibiotica in de biologische pluimveesector verboden is.

Door het PPE worden jaarlijks de gegevens over het antibioticagebruik in de pluimveesector gepubliceerd.

Aviare Influenza

Aviaire Influenza is een specifieke pluimveeziekte. Door mutatie van het virus kan het echter ook infectieus voor de mens zijn als sprake is van zeer intensief contact tussen mens en (besmet) pluimvee.

Er zijn diverse typen van het virus. Sommige typen zijn altijd laag pathogeen. Andere kunnen van laag naar hoog pathogeen muteren. Om mutatie van een laag pathogene variant naar een hoog pathogene te voorkomen, moet het virus zo kort mogelijk in het veld aanwezig zijn. Omdat vleeskuikens relatief kort leven is het risico op mutatie bij deze diergroep erg klein. Alle vleeskuikenbedrijven worden jaarlijks gecontroleerd op de aanwezigheid van antistoffen. De kans dat dieren die de beschikking hebben over een buitenuitloop besmet raken, is hoger dan bij binnen gehouden dieren. Daarom worden bedrijven met buitenuitloop ieder kwartaal getest op de aanwezigheid van antistoffen. Zie ook het dossier Vogelgriep.

Volksgezondheid & voedselveiligheid

De productie van vleeskuikens kan effect hebben op de gezondheid van mensen. In de directe omgeving van de bedrijven kan dit via componenten in de lucht afkomstig uit de stallen. Hierbij spelen o.a. fijnstof en ziektekiemen een rol. Een andere mogelijke route is via de contaminatie (besmetting) van het vlees dat wordt gekocht. Daarbij zijn vooral Salmonella’s, Campylobacter, MRSA en ESBL bekende factoren. Ook kan de productiewijze een effect hebben op de gezondheid van de veehouder, zijn gezinsleden of medewerkers.

Stallucht

Bekend is dat hogere concentraties van fijnstof (PM10[1]) effect hebben op de gezondheid van mensen. Niet alleen in de werkomgeving, maar ook in de buitenlucht. Daarom is op Europees niveau wetgeving vastgesteld, waarin maximale concentraties zijn opgenomen. Deze zijn overgenomen in de Nederlandse regelgeving. Er wordt jaarlijks gerapporteerd of Nederland voldoet aan de gestelde grenswaarden. Over de hoogte van de emissie en verschillen tussen de diverse productiewijzen is meer informatie te vinden bij ‘Milieu’.

Naast fijnstof kunnen ook andere componenten in de lucht uit de stallen een effect hebben op humane gezondheid. Dit zijn onder andere geur en endotoxinen (resten van gramnegatieve bacteriën, gehecht aan fijnstof). Niet van alle componenten zijn deze effecten duidelijk. De Gezondheidsraad heeft diverse onderzoeken geïnitieerd om meer duidelijkheid te krijgen. In het meest recente rapport (Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen van december 2012) is alle tot dan toe beschikbare informatie hierover verzameld. Naar aanleiding hiervan is verder onderzoek uitgezet (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden ), waarbij diverse instituten (RIVM, IRAS, NIVEL en Wageningen University & Research) betrokken zijn.

Aviaire Influenza (of vogelgriep) kan ook besmetting bij mensen veroorzaken. Het is voor pluimvee een ziekte die valt onder de Wet op de dierziekten. Daarom wordt Aviare Influenza behandeld bij ‘Diergezondheid’. Zie ook het dossier Vogelgriep.

Contaminatie vlees

Via het voer kan pluimveevlees (net als andere levensmiddelen) verontreinigd raken met ongewenste stoffen. Dit kunnen residuen zijn van medicijnen (zoals antibiotica), maar ook andere stoffen (dioxinen, mycotoxinen). Het vlees wordt op de aanwezigheid van dergelijke stoffen gecontroleerd conform de Europese regelgeving. De resultaten van alle controles in Europa worden door de European Food Safety Authority samengevat en gepubliceerd. Uit die monitoring blijkt dat bij minder dan 0,17% van de onderzochte monsters voor een stof de toegelaten grenzen overschreden worden. Daarbij is geen onderscheid te maken tussen de diverse productiesystemen.

Om ziektes bij de dieren te bestrijden worden soms antibiotica ingezet. Deze kunnen het voorkomen van ESBL bevorderen. ESBL’s (Extended Spectrum Betalactamase) zijn enzymen gemaakt door bacteriën. Omdat antibiotica als cefalosporinen en penicillinen worden afgebroken door deze enzymen, worden bacteriën ongevoelig hiervoor. Andere bacteriën kunnen het vermogen ESBL’s te produceren overnemen. Bij pluimvee kan ook MRSA (S. aureus bacteriën) voorkomen. Deze bacterie is resistent tegen methicilline en daarmee alle antibiotica behorende tot de penicilline en cefalosporine groep. Er zijn diverse onderzoeken waarbij gekeken is naar de mate van besmetting van pluimveevlees met MRSA en ESBL’s, onder andere in opdracht van de Consumentenbond. Daarbij worden soms verschillen gevonden tussen de diverse productiewijzen. Belangrijk is daarbij de herkomst is van het vlees. Niet al het vlees in de Nederlandse winkels wordt ook in Nederland geproduceerd.

Wat betreft de aanwezigheid van Salmonella’s op pluimveevlees zijn de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet in het terugdringen ervan. Een belangrijk onderdeel is de verplichte controle op de aanwezigheid van Salmonella’s tijdens de productieperiode. De resultaten van deze onderzoeken worden op nationaal niveau verzameld. Uit de gegevens is geen betrouwbaar onderscheid tussen de verschillende productiewijzen te maken in de mate van besmetting. Het overgrote deel van de besmettingen is veroorzaakt door Salmonella java (S. Paratyphi B var java). Deze Salmonella wordt veel bij pluimvee gezien, maar geeft in verhouding weinig problemen in de humane gezondheid.

Ook op de aanwezigheid van Campylobacter wordt gecontroleerd. Op basis van de nationaal vastgelegde gegevens lijkt bij productiewijzen, waarbij de dieren een langere groeiperiode kennen en toegang hebben tot een vrije uitloop, de besmetting hoger. Dit wordt bevestigd door internationale studies.

Publicaties