Veiligheid beoordelen zonder dierproeven

Consumenten willen erop kunnen vertrouwen dat ons voedsel veilig is. Daarom worden alle stoffen en ingrediënten die gebruikt worden in de voedselproductieketen onderzocht op hun veiligheid voor de consument.

Dierproeven wettelijk verplicht

Voor dit onderzoek - en dan met name onderzoek aan de opname en mogelijke giftigheid van stoffen - worden nog steeds veel proefdieren gebruikt omdat dit wettelijk verplicht is. Bijvoorbeeld voor het onderzoek naar de mogelijke effecten van diergeneesmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen, biociden, voedseladditieven en genetisch gemodificeerde organismen en chemische stoffen.

Nut en noodzaak

Bij voedselveiligheidsstudies wordt een te testen product gevoerd aan muizen of ratten  gedurende een periode. Moeten we altijd alle ‘voorgeschreven’ proeven doen, of kijken we van geval tot geval wat nuttig en nodig is? Bij hele nieuwe stoffen, waarbij er geen idee bestaat over mogelijke effecten, zijn uitgebreidere proeven nodig.

Betrouwbaarheid alternatieven aantonen

Maar de meeste stoffen die getest worden, zijn varianten op bestaande stoffen, en is er vaak al een idee  over het te verwachten (type) effect. In dergelijke gevallen zijn geen of minder proefdieren nodig. Op het RIKILT ontwikkelen we alternatieve testen, maar er is veel onderzoek nodig voordat we met zekerheid kunnen zeggen of deze proefdiervrije in-vitro alternatieven betrouwbaar genoeg zijn om de dierproeven te vervangen. Om het huidige niveau van veiligheid te behouden, kunnen we voorlopig helaas niet geheel zonder proefdierstudies.

Gouden standaard moet anders

Ondanks de overduidelijke wetenschappelijke nadelen van dierproeven (ongevoelig,  beperkte voorspelbaarheid), de hoge kosten en ethische bezwaren, gelden dierproeven nog steeds als de “gouden standaard” voor het veiligheidsonderzoek. Dat moet en kan anders worden. Bij RIKILT werken we aan verschillende strategieën om de veiligheid van producten en stoffen te meten zonder dat hier proefdieren voor nodig zijn.