Wormenwijzer

Product of dienst

Wormenwijzer

De Wormenwijzer geeft behandeladviezen voor een verantwoorde aanpak van maagdarmwormen bij schapen. Het advies is gericht op een minimaal risico op schade door maagdarmwormen.

De behandeladviezen krijgt u op maat door het beantwoorden van een aantal vragen over uw bedrijfssituatie per samenweidend of aangevoerd koppel dieren. De Wormenwijzer bepaalt vervolgens de kans op een maagdarmwormbesmetting en formuleert een advies afgestemd op uw bedrijfshistorie. Het advies is gericht op een minimaal risico op schade door maagdarmwormen.

Dierenartsen kunnen de website raadplegen voor een update van de maagdarmwormbestrijding bij schapen en het opstellen van adviezen voor hun klanten. De Wormenwijzer is ontwikkeld door de Animal Sciences Group, de Faculteit voor Diergeneeskunde en Gezonde Dieren in opdracht van het Productschap voor Vee, Vlees en Eieren.

Toelichting Wormenwijzer

Waarom 95% in plaats van 100% ontwormen?

Er is altijd een klein aantal wormen in een gevoelige wormpopulatie dat een ontwormbehandeling overleeft en dat niet door het middel is gedood. Als u alle dieren in het koppel ontwormt, wordt de volgende generatie wormen meer gedomineerd door wormen die minder gevoelig voor het middel zijn (de sterkere). Hoe sneller u de voor het wormmiddel gevoelige wormen op deze wijze wegselecteert, hoe sneller het moment is bereikt waarop de aanwezige wormenpopulatie op het bedrijf niet meer te bestrijden is met dat wormmiddel.
95-98% in plaats van 100% van het koppel ontwormen geeft qua resistentiegevoeligheid een sterk verdunningseffect op de volgende generatie wormen op uw bedrijf. De nakomelingen van de wormen die de behandeling hebben overleefd, stel 0,01%, moeten de voortplantings- en verblijfsconcurrentie in de maag of darmen aangaan met alle nakomelingen van de wormen (=100%), uitgescheiden door de 2-5% niet ontwormde dieren in het koppel. Dit verdunningseffect vertraagt de resistentieontwikkeling op uw bedrijf.

Onderdoseren

Geef voor een goed resultaat van de ontwormbehandeling voldoende middel. Met andere woorden vermijd onderdoseren. Bij het geven van te weinig middel neemt de effectiviteit van de behandeling af. Verminderde effectiviteit van een behandeling geeft een trager herstel en minder groei.

Onderdoseren kan bovendien resistentie veroorzaken. Bij onderdoseren neemt de kans toe dat de wormen die minder gevoelig voor het middel zijn (de sterkere) de behandeling overleven en dat het aandeel minder gevoelige wormen in de aanwezige wormenpopulatie op het bedrijf stijgt.  
Onderdoseren is eenvoudig te vermijden door:
  • De dosering af te stemmen op het lichaamsgewicht van de zwaarste dieren in de koppel. Weeg daarom bijvoorkeur de dieren. Maak anders een zo nauwkeurig mogelijke schatting. Verdeel bij grote gewichtsvariatie de koppel van tevoren in kleinere groepen van min of meer gelijk gewicht. Verspilling van middel blijft zodoende ook tot een minimum beperkt.
  • Royaal te doseren en minstens de hoeveelheid middel per kilogram lichaamsgewicht, die de fabrikant van het middel voorschrijft aan te houden.
  • Vooraf en eventueel tussentijds te toetsen, of het drenchapparaat of het injectiepistool daadwerkelijk minimaal de ingestelde hoeveelheid middel lost. Luchtbellen in het drenchapparaat of het injectiepistool zijn vaak belangrijke oorzaken van het verstrekken van minder middel (=onderdosering) dan waarop het is ingesteld.
  • Het verloren gegane deel alsnog toe te dienen als het dier bij het ingeven een deel van de dosering uitspuugt of een deel niet ingespoten raakt.
  • Het laatste dier niet te ontwormen als u net te weinig middel over heeft. Behandel dit die in geval van noodzaak (advies, ziekte) zodra u de juiste dosering kan verstrekken.  
  • Bij voorkeur gebruik te maken van injectie of drench. Precieze dosering van individuele dieren met wormmiddelen in deze vorm is eenvoudiger en betrouwbaarder in vergelijking tot bolussen of korrels.


Veilig land

Qua risico op een maagdarmwormbesmetting zijn voor een wormbestrijdingsadvies op maat 2 soorten grasland te onderscheiden:
  • Veilig;
    • de eerste beweiding van maximaal 3 weken op alle weiden in het vroege voorjaar (begin maart - begin mei).
    • grasland waar in de afgelopen 3 maanden of langer geen schapen, lammeren of geiten zijn geweid.
    • grasland dat 1 november veilig is, blijft de hele winter veilig. Door de weersomstandigheden in deze periode ontwikkelen de wormeieren zich niet tot larven waardoor de besmettingsdruk op het grasland niet kan toenemen en het grasland veilig blijft.
  • Gevaarlijk;
    • grasland waar in de afgelopen 3 maanden schapen, lammeren of geiten (lammeren) zijn geweid.
veilig grasland dat voor half juni en na half september langer dan 3 weken is beweid en daartussen langer dan 2 weken. Verweiden binnen deze periodes is veilig.

grasland dat 1 november gevaarlijk is, blijft de hele winter gevaarlijk voor in de zomer en het najaar geboren lammeren.

Deze risico-indeling van grasland geldt voor alle wormsoorten behalve Nematodirus. Nematodirus heeft een ander ontwikkelingspatroon. De WormenWijzer houdt daar rekening mee en het gebruik van de WormenWijzer in combinatie met deze risico-indeling minimaliseert de kans op de nadelige gevolgen van alle wormsoorten. Dus ook de kans op nematodirose.

Let op! Vermijd wisselbeweiding met runderen in hun eerste weideseizoen. Sommige gevaarlijke wormsoorten voor lammeren kunnen ook bij runderen voorkomen. Wisselbeweiding met runderen die al meer dan één weideseizoen buiten lopen is geen probleem.


Tijdig verweiden

Het risico van opname van larven uit eieren, die de koppel zelf op het perceel heeft gebracht, neemt toe naarmate de beweidingsperiode op een perceel langer is. Verweid daarom alle koppels zoveel mogelijk op tijd naar veilig land. De snelheid waarmee wormeieren zich ontwikkelen tot besmettelijke larven is afhankelijk van de temperatuur en de vochtigheid. De beweidingsperioden op veilig land waarbinnen koppels veilig zijn te verweiden zijn daarom seizoensgebonden. Onder normale weersomstandigheden en bij normale waterpeilen zijn dit:

periode Verweiden binnen
  • Half maart – half juni (voorjaar):  3 weken
  • Half juni – half september (zomer):  2 weken
  • Half september – 1 november: 3 weken
  • 1 november – half maart (winter):  onbeperkt

Langere beweidingsperioden maken veilig land gevaarlijk. Zoveel mogelijk op tijd verweiden naar veilig land draagt sterk bij aan:
  • Het beperken van de besmetting van lammeren met maagdarmwormen. Telkens (of zoveel mogelijk) op tijd verweiden naar veilig land verhinderen in grote mate de opname van larven uit eieren die de koppel zelf op het perceel heeft gebracht.
  • Een besparing op ontwormmiddelen en arbeid door een lagere ontwormfrequentie. Veilig verweiden resulteert in een lagere wormlast bij de lammeren en ontwormen van lammeren met een geringe wormlast is niet zinvol. Door telkens of zoveel mogelijk op tijd te verweiden naar veilig land zijn de behandelingsintervallen eenvoudig te verruimen.
  • Een afname van de kans op resistentieontwikkeling op het bedrijf door een lagere ontwormfrequentie.
Onder warme en natte omstandigheden (regen of hoog waterpeil) kunnen in het voorjaar en de zomer al eerder als binnen 3 respectievelijk 2 weken grote aantallen larven op veilig grasland komen. Vang dit op door eerder te verweiden. 10 dagen is de minimale tijd die de gevaarlijkste wormsoorten nodig hebben om zich onder Nederlandse omstandigheden van ei tot larf te kunnen ontwikkelen. Beweidingsperioden op veilig land van korter dan 10 dagen leveren daarom geen extra bijdrage aan het beperken van besmetting met maagdarmwormen.

In de winter ontwikkelen de wormeieren zich niet tot larven. Veilig land kan daarom vanaf november tot half maart onbeperkt worden beweid.

Wormmiddelen

De beschikbare wormmiddelen zijn afhankelijk van de soort werkzame stof in 4 groepen op te splitsen. Elke groep bestaat uit middelen met sterk vergelijkbare werkzame stoffen. Niet elke groep van middelen is echter op elk moment even geschikt of effectief tegen elke wormsoort. Maak daarom voor elke ontwormbehandeling met de WormenWijzer een goede afweging over de noodzaak en over het te gebruiken middel. Het door de WormenWijzer geadviseerde middel is gebaseerd op de wormsoort, de kans op besmetting met die wormsoort(en) op dat moment in het jaar, de mate van resistentie tegen het wormmiddel in Nederland en het doel van de behandeling (quarantaine, ziekte of preventie).

Wormmiddelen in groep 1 zijn vanwege omvangrijke resistentie in Nederland niet geschikt voor de bestrijding van Haemonchus contortus en Teladorsagia circumcincta. Middelen in groep 1 zijn wel effectief tegen Nematodirus-soorten en ze genieten bij het bestrijden van deze soorten de voorkeur boven middelen uit andere groepen omwille van het afremmen van resistentieontwikkeling. Als naast Nematodirus battus ook andere wormsoorten tegelijk mede oorzaak kunnen zijn van ziekte, voldoen wormmiddelen uit groep 2, 3 of 4 ook. Recent zijn in Nederland meerdere gevallen van resistentie aangetroffen tegen middelen uit groep 3 met uitzondering van de moxidectine-houdende middelen. Een moxidectine-houdend middel is meestal nog effectief tegen ivermectine- en doramectine-resistente populaties van Haemonchus contortus en Teladorsagia circumcincta. In Nederland is nog geen resistentie vastgesteld tegen middelen in groep 2 en 4.

In de tabel staan per groep de wormmiddelen die in Nederland zijn toegelaten. Als geen wachttijd voor melk vermeld staat, is het gebruik van deze middelen niet toegestaan bij schapen die melk produceren voor de humane consumptie. Maak bij voorkeur gebruik van injectie of drench. Precieze dosering van individuele dieren met wormmiddelen in deze vorm is in vergelijking tot boli of korrels eenvoudiger en betrouwbaarder. Wormmiddelen zijn ongeschikt voor het behandelen van lammeren met coccidiose.

Quarantainebehandelingen

Om de insleep van nieuwe wormsoorten of resistente wormstammen op uw bedrijfspercelen te voorkomen zijn met aanvoer van dieren van een ander bedrijf 3 acties noodzakelijk.
  • Ontworm alle aangevoerde dieren meteen bij aankomst met een moxidectine-houdend middel (groep 3) of het middel uit groep 4. Alle andere middelen komen niet in aanmerking. Vermijd onderdoseren.
  • Breng de aangevoerde dieren pas 48 uur na de quarantainebehandeling op de bedrijfspercelen zodat ze geen wormeieren op het land brengen. Houd ze minimaal gedurende deze 48 uur op stal of op een betonplaat. Zorg ook dat de daar geproduceerde mest en de mest uit de veewagen (voorlopig) niet op de bedrijfspercelen komt. Vermijd ook de versleep van deze mest via schoeisel. Onder invloed van broei, vorst en droogte gaan wormeieren dood.
  • Controleer de effectiviteit van de quarantainebehandelingen met een mestonderzoek tussen 10 en 14 dagen na het ontwormen. Ontworm met een middel uit de andere geadviseerde groep als dan nog eieren in de mest zitten. Het beste is om de aangevoerde dieren pas na vaststelling van 100% effectiviteit in te scharen op bedrijfspercelen en ze tot dan op stal of plaat te huisvesten.

Combineer deze quarantainebehandelingen met de overige benodigde quarantainehandelingen (schurft, rotkreupel, e.a.). Vermijd ook de insleep van nieuwe wormsoorten of resistente wormstammen via schoeisel van bedrijfsbezoekers!


Onder aanvoer van dieren van een andere bedrijf vallen aangekochte ooien, lammeren en dekrammen. Ook gezamenlijk gebruikte rammen, ter dekking gebrachte ooien van anderen en terugkeer van dieren die gezamenlijk met schapen, lammeren, geiten en kalveren van anderen zijn geweid.

Let op! In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, heeft ontwormen van dekrammen en ooien in het dekseizoen geen invloed op de vruchtbaarheid! Vermijd dus ook insleep via (uitgewisselde) dekrammen en ter dekking gebrachte (en terugkerende) ooien door ze ook tijdens het dekseizoen de juiste quarantainebehandelingen te geven.

Mestonderzoek

Een hulpmiddel om te bepalen of ontwormen van de lammeren daadwerkelijk nodig is, is mestonderzoek. Mestonderzoek wijst uit of ze besmet zijn, met welke wormsoorten en hoe groot de wormlast is. De uitslag van het mestonderzoek helpt de juiste keuze te maken tussen wel, niet of later ontwormen en helpt zodoende onnodig behandelen voorkomen. Onnodig behandelen kost geld en kan resistentieontwikkeling op uw bedrijf versnellen. Laat daarom bij twijfel over de noodzaak van behandelen de mest onderzoeken.

Zinvolle momenten voor mestonderzoek zijn:
  • De momenten waarop de WormenWijzer adviseert de mest te laten onderzoeken.
  • 4 weken na inscharen op gevaarlijk land.
  • 1 juli om te beoordelen of er een noodzaak bestaat om de lammeren te ontwormen. De parasitologen van Nederland stellen op grond van hun ervaring dat er voor 1 juli geen gevaarlijke maagdarmwormbesmettingen kunnen optreden op Nematodirose na. Belangrijke voorwaarde daarbij is dat men de behandeladviezen van de Wormenwijzer opvolgt en de ooien in het voorjaar na het aflammen ontwormt. Als dat niet gebeurd kunnen naast Nematodirose al eerder andere gevaarlijke maagdarmwormbesmettingen optreden!
Met mestonderzoek is vast te stellen of het gebruikte middel (voldoende) heeft gewerkt tegen de maagdarmwormen. Of anders gezegd: of de maagdarmwormen resistent zijn tegen het gebruikte middel. Vanwege wijdverspreide resistentie tegen middelen uit groep 1 is mestonderzoek naar de werking van deze middelen niet zinvol.

Mestmonsters verzamelen en versturen

De betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de uitslag van het mestonderzoek is afhankelijk van de zorgvuldigheid van het verzamelen en versturen van de mestmonsters. De werkwijze voor het verzamelen en versturen van mestmonsters is:
  • Verzamel ongeveer gelijke hoeveelheden mest van 15 lammeren per samenweidend koppel. Neem vanwege een verschil in weerstand daarvoor ongeveer evenveel oude als jonge lammeren. Een hoeveelheid mest van 4 keutels of een daarmee vergelijkbare hoeveelheid per dier is voldoende. Doe de mest van deze 15 dieren bij elkaar in een plastic zakje (bijvoorbeeld diepvrieszakje), strijk de lucht eruit en knoop dit mestmonster dicht. Essentieel is dat het monster luchtdicht wordt verpakt.
  • Verzamel uitsluitend mest die u ziet vallen. Vermijd daarbij vervuiling met gronddeeltjes omdat de eieren van grondwormen lijken op die van maagdarmwormen. Maak tot slot geen onderscheid tussen harde keutels en dunne mest. Beide kunnen het gevolg zijn van een maagdarmwormbesmetting en dat is wat u wilt weten.
  • Maak per samenweidend koppel aparte monsters vanwege mogelijke verschillen in weerstand, beweiding- en behandelingshistorie en daardoor mogelijke verschillen in besmettingsniveau.
  • Verzamel bij twijfel aan de werking van het middel mest tussen 10 en 14 dagen na de laatste behandeling bij de betreffende ooien en/of lammeren.
  • Monsters gekoeld bewaren maar niet laten bevriezen en niet in de zon laten liggen. Onder invloed van hogere temperaturen komen de larven eerder uit het ei en geeft de uitkomst van een eitelling niet meer het juiste beeld van het daadwerkelijke besmettingsniveau.
  • Stuur het monster (of de monsters) in een daarvoor geschikte en toegestane verpakking (dierenarts) naar een laboratorium. Beperk daarbij de tijd tussen monstername en verzending zoveel mogelijk en vermijd opwarming.

Uitslag mestmonster

Op de uitslag staan de aantallen wormeieren per gram mest (EPG) die per groep van wormsoorten in de mest zijn aangetroffen. De onderstaande tabel geeft aan bij welke aantallen u, uw lammeren moet ontwormen. Eitellingen van boven de 1000 eieren per  gram mest worden meestal veroorzaakt door Haemonchus contortus.  

Groep wormsoorten Ontwormen bij EPG van
Trichostrongyliden (Haemonchus c. en Teladorsagia c.) Meer dan 500
Nematodirus-soorten Meer dan 100
Wormeieren

Let op! De uitslag is een momentopname en de wormlast kan binnen een week veranderen van gering in gevaarlijk. Bij goed gebruik van de WormenWijzer en opvolging van de adviezen is het risico op schade door maagdarmwormen gering.

Voor de uitslag van een mestonderzoek naar de werking van het middel geldt dat bij bemonstering tussen 10 en 14 dagen geen eieren in de mest mogen zitten. Als wel eieren in de mest zijn aangetroffen, betekent dat maagdarmwormen de behandeling hebben overleefd en dat mogelijk niet goed is behandeld of dat sprake is van resistentie. Gebruik de volgende keer een middel uit een andere groep waartegen maagdarmwormen in Nederland nog geen of weinig resistentie hebben ontwikkeld. Sluit voor u overstapt uit dat:

  • Per ongeluk geen mest van onbehandelde dieren is onderzocht.
  • Het inderdaad om mest gaat die tussen 10 en 14 na behandeling is bemonsterd.
  • Geen sprake kan zijn geweest van onderdoseren.

Behandel met een middel waartegen nog geen resistentie bestaat als na behandeling nog grote aantallen wormeieren in de mest worden aangetroffen (zie tabel boven).


Advies maagdarmwormbesmetting ooien

Algemeen advies voor maagdarmwormbesmetting bij ooien

In de regel ondervinden ooien geen hinder van een maagdarmwormbesmetting omdat ze als lam weerstand hebben opgebouwd. Na het aflammeren kunnen ooien in het voorjaar wel enorme aantallen eieren uitscheiden vanwege de tijdelijk lagere weerstand in die periode.

Adviesvoor ooien tijdens aflamseizoen

Ontworm 95-98% van alle ooien die met hun lammeren tot spenen weidegang krijgen met een middel uit groep 2, 3 of 4 na het aflammeren éénmalig, minimaal 2 dagen voor inscharen. Ontworm ooien die buiten aflammeren en blijven binnen 2 weken na aflammeren. Vermijd onderdoseren. Breng elk koppel ooien met lammeren na het ontwormen zoveel mogelijk op veilig land.
 

Ontworm guste, verwerpende, mislamde en niet zogende ooien niet. Kies voor de 2-5 % afgelamde ooien die u niet ontwormt:

  • gezonde oudere ooien in een goede conditie en
  • bij voorkeur ooien met een éénling.
Zorg dat in elk samenweidende groep 2-5% niet ontwormde ooien lopen. Ontworm als het koppel kleiner is dan 20 ooien 1 ooi niet op stal maar pas een week na inscharen.

Gebruik, indien u om arbeidstechnische redenen toch voor het aflammeren ontwormt, uitsluitend een middel uit groep 3 of 4. Andere middelen doden voor het aflammeren niet alle wormsoorten.

Noteer per afzonderlijk weidend koppel ooien de datum van de behandeling, het gebruikte middel en de dosering. Raadpleeg de WormenWijzer het volgende aflamseizoen opnieuw voor een advies op maat.

Het is niet nodig om ooien die met hun lammeren tot spenen op stal blijven te ontwormen. De ooien kunnen hun lammeren op stal niet besmetten. Ontwormen bij inscharen na spenen is ook niet nodig omdat het aantal wormeieren in de mest na het spenen snel afneemt.

Advies voor ooien buiten aflamseizoen:

Ontworm ooien buiten het aflamseizoen niet. Eén ontwormbehandeling na het aflammeren is voldoende. Daarna bouwt het schaap zelf weerstand op tegen maagdarmwormen waardoor ze meer maagdarmwormlarven opnemen dan zich wormen ontwikkelen. Dit draagt bij aan het laag houden van de besmettingsdruk op het perceel.

Algemeen advies maagdarmwormbesmetting lammeren

Lammeren besmetten zich al grazende met de larven van maagdarmwormen. Besmetting met larven van maagdarmwormen is nodig om weerstand op te kunnen bouwen. Te hoge opnames van larven van gevaarlijke soorten verstoren de groei en kunnen vooral lammeren ziek maken. Koppelsgewijze groeidalingen van meer dan 50 gram groei per dag binnen 4 weken, slechte groeiers en afvallende lammeren duiden op ernstige besmettingen. In de regel geldt dat het behalen van het eindgewicht een maand langer duurt als een ernstige besmetting te lang onopgemerkt blijft en de lammeren een week te laat worden behandeld.

voor lammeren met weidegang:

Ontworm de lammeren uitsluitend als volgens de WormenWijzer een reële kans bestaat op een maagdarmwormbesmetting of een maagdarmwormbesmetting is vastgesteld bij mestonderzoek.

Ontworm per koppel maximaal 95-98% van alle lammeren met een middel uit groep 2, 3 of 4. Vermijd onderdoseren. Ontworm de lammeren zoveel mogelijk gelijktijdig met het verweiden. Verweid de lammeren zoveel mogelijk naar veilig land en tijdig.

Kies voor de 2-5 % lammeren die u niet ontwormt:

  • gezonde lammeren met de royaalste conditie,
  • bij voorkeur de oudste lammeren en
  • lammeren die worden geslacht binnen de wachttermijn van het te gebruiken middel.
Zorg dat in elk samenweidend koppel minimaal 2-5% niet ontwormde lammeren lopen. Ontworm als het koppel kleiner is dan 20 lammeren 1 lam een week na de andere.

Noteer per afzonderlijk weidend koppel lammeren de datum van de behandeling, het gebruikte middel en de dosering. Raadpleeg de WormenWijzer vanaf half juni bij elke verweiding en elke 4 weken na het behandelen opnieuw voor een advies op maat. Onder bepaalde omstandigheden kan vanaf half juni en elke 4 weken na behandeling de wormlast weer een gevaar vormen voor de lammeren.

Laat binnen 10 tot 14 dagen na behandeling mestonderzoek uitvoeren als u twijfelt u aan de effectiviteit van de laatste ontwormbehandeling in dit koppel.

voor lammeren die op stal zijn gehouden vanaf geboorte:

Het ontwormen van deze lammeren is zinloos. Op stal kunnen de lammeren geen maagdarmwormbesmetting van betekenis oplopen omdat wormen, op de niet schadelijke wormsoort Strongyloides papillosus na, uw lammeren op stal niet kunnen besmetten. Wel kunnen de lammeren andere stalinfecties of parasitaire aandoeningen oplopen die diarree kunnen veroorzaken. De bekendste zijn E-coli-infecties en coccidiose. Voor lammeren die geen weidegang hebben gehad, dragen wormmiddelen niet bij aan de genezing of preventie van coccidiose.

Raadpleeg de WormenWijzer 4 weken na inscharen opnieuw voor een advies op maat als u dit koppel nog gaat weiden. Onder bepaalde omstandigheden kan na 4 weken weidegang de wormlast een gevaar voor de lammeren vormen.

Wormsoorten en hun ziektebeeld

Hieronder staan de maagdarmwormsoorten die bij schapen voorkomen gerangschikt naar plaats waar ze in het maagdarmstelsel verblijven en naar ziektewekkend vermogen. Vier wormsoorten zijn op dit moment echt gevaarlijk voor in Nederland gehouden lammeren. Dit zijn Haemonchus contortus, Teladorsagia circumcincta, Trichostrongylus vitrinus en Nematodirus battus. Deze soorten kunnen serieuze economische schade veroorzaken, lammeren goed ziek maken en lammersterfte veroorzaken.

Lebmaag  

  • Haemonchus contortus +++++
  • Teladorsagia circumcincta +++
  • Trichostrongylus axei ++

Dunne darm  

  • Trichostrongylus vitrinus +++
  • Trichostrongylus colubriformis ++
  • Nematodirus battus ++++
  • Nematodirus filicollis ++
  • Nematodirus spathiger +
  • Cooperia curticei +
  • Strongyloides papillosus +
  • Bunosttonum trigonocephalum +
  • Capillaria longipes +
  • Moniezia spp +

Dikke darm  

  • Charbertia ovina ++
  • Oesophaghostomum venulosum ++
  • Trichuris spp ++
  • Skrjabinema ovis +

Downloads

Resistentie en resistentieontwikkeling

Er is altijd een klein aantal wormen in een gevoelige wormpopulatie dat resistent is en niet door het middel wordt gedood. Hoe sneller op uw bedrijf de voor het wormmiddel gevoelige wormen in opeenvolgende behandelingen worden weggeselecteerd, hoe sneller de resistentieontwikkeling verloopt en hoe eerder het moment wordt bereikt waarop de aanwezige wormenpopulatie op het bedrijf niet meer te bestrijden is met dat wormmiddel. Als de wormlast niet meer met een middel uit die groep kan worden weggenomen, moet men uitwijken naar een middel uit een andere groep. Dit kan zolang uw wormpopulatie daartegen nog geen resistentie heeft ontwikkeld. Er bestaan echter al multiresistente wormpopulaties, populaties die resistent zijn tegen meerdere groepen van middelen.

Om zolang mogelijk van de bestaande middelen gebruik te kunnen blijven maken is het vermijden van onderdosering van groot belang. Het zoveel mogelijk beperken van het aantal behandelingen door waar mogelijk gebruik te maken van veilig land en tijdig te verweiden, draagt ook sterk bij aan het vertragen van de resistentieontwikkeling. De Wormenwijzer helpt u bij het verminderen van het aantal behandelingen.

Wormmiddelen in groep 1 zijn vanwege omvangrijke resistentie in Nederland niet geschikt voor de bestrijding van Haemonchus contortus en Teladorsagia circumcincta. Recent zijn in Nederland meerdere gevallen van resistentie aangetroffen bij Haemonchus contortus en Teladorsagia circumcincta tegen middelen uit groep 3 met uitzondering van moxidectine.  Een moxidectine-houdend middel is meestal nog effectief tegen ivermectine- en doramectine-resistente populaties van Haemonchus contortus en Teladorsagia circumcincta. In Nederland is nog geen resistentie vastgesteld tegen middelen in groep 2, en 4.

Tips

De effectiviteit van de behandeling is hoger na vasten. Pas dit echter uitsluitend toe bij lammeren en nooit toe bij drachtige of lacterende ooien vanwege groot risico op voedingsstoornissen en melkproductie verlies.

Maak bij beperkte beschikking over veilig land, tactisch gebruik van de veilige percelen. Het inscharen op veilig land laten samenvallen met het ontwormen levert u afhankelijk van seizoen 2 tot 3 weken uitstel van behandeling op.

Nematodirus battus komt ook bij kalveren voor en kan bij kalveren ook nematodirose (9.III) veroorzaken. Vermijd op rundveebedrijven wisselbeweiding tussen lammeren en kalveren én schapen en kalveren ter voorkoming van nematodirose. Besmetting met andere gedeelde wormsoorten levert als regel geen gevaar op.

De gevaarlijkste wormsoort Haemonchus contortus, geeft harde, ingedroogde mestkeutels in plaats van diarree.

Een goede voeding stimuleert de weerstandsopbouw, minimaliseert de verspreiding van wormeieren en bevordert het herstel na een maagdarmwormbesmetting. Ooien die rond het aflammeren extra eiwit krijgen, scheiden minder wormeieren uit. Ook lammeren die extra eiwit (lammerkorrel/ gras/klaver) krijgen, hebben minder last van maagdarmwormen.