Nieuws

Fosfaatuitscheiding melkvee verlagen door later maaien

Gepubliceerd op
9 mei 2014

Door gras in een later stadium te maaien wordt het fosforgehalte in het gras lager. Daarmee daalt ook de fosfaatuitscheiding van een melkveestapel zodat bedrijven die meedoen aan BEX voordeel halen uit later maaien. Maar ook energie- en eiwitgehalte in het gras dalen. Om de melkproductie op peil te houden is dan ca. 250 kg meer krachtvoer nodig per koe. Later maaien heeft ook consequenties voor de bedrijfsvoering: beweiding is lastiger rond te zetten omdat percelen voor maaien langer moeten doorgroeien. Dit blijkt uit onderzoek van Wageningen UR Livestock Research in opdracht van Productschap Zuivel.

Door gras in een later stadium dan gebruikelijk te maaien is het mogelijk om de fosfaatuitscheiding op een melkveebedrijf te verlagen. Gras krijgt namelijk een lager fosforgehalte naarmate het ouder wordt. Maar omdat ook energie (VEM) en ruw eiwit dalen bij veroudering, is er ook meer krachtvoer (met fosfor) nodig  om de melkproductie op peil te houden. Voor rantsoenen met een aandeel van (ruwweg) meer dan 70% gras, is er ondanks het hogere krachtvoerverbruik, toch een lagere fosfaatuitscheiding. Hoe groter het aandeel gras, hoe groter de verlaging, omdat het P-gehalte van een groter deel van het ruwvoer verlaagd wordt. Dit kan voordeel opleveren als een bedrijf meedoet aan BEX en mest moet afvoeren op basis van fosfaat. Ook voor bedrijven die met de KringloopWijzer meedoen, levert het voordeel op want de verlaging van de uitscheiding is geen gevolg van verlaging van de onttrekking op grasland. Bedrijven waar de oppervlakte snijmaïs ongeveer 20% is en wordt beweid, heeft later maaien weinig tot geen effect op de fosfaatuitscheiding omdat het P-gehalte in het basisrantsoen al laag is.

Impact op bedrijfsvoering

Later maaien kan ook financieel voordeel opleveren, omdat er minder oppervlakte gemaaid wordt. Tevens is de totale droge stofproductie met gras hoger, maar dan met een lagere voederwaarde. Voor de bedrijfsvoering heeft later maaien echter wel consequenties. De maaisneden moeten langer doorgroeien waardoor er minder ruimte is voor beweiding. Bij intensieve beweiding kan dit betekenen dat er (tijdelijk) te weinig gras is voor beweiding in bijvoorbeeld droge perioden, terwijl er in de stalperiode graskuil kan overblijven. Er is dan weliswaar meer graskuil, maar het heeft dus een lagere kwaliteit. Per koe is er ongeveer 250 kg meer krachtvoer nodig om de melkproductie op peil te houden.

Maximale verlaging 6,6 kg fosfaat per ha

Bij 100% graskuil in het rantsoen en volledig opstallen is de maximale verlaging van de uitscheiding zo’n 6,6 kg fosfaat per ha, dat komt overeen met 4,4 m3 drijfmest, zo is berekend met het BedrijfsBegrotingsprogramma Rundveehouderij (BBPR) door Wageningen UR Livestock Research.

Er is gerekend voor een normale snedezwaarte met ca. 3000 kg ds/ha tot en met juni, inclusief eerste snede, met ca. 2500 kg ds/ha in juli en met ca. 2000 kg ds/ha na juli. Bij zwaarder maaien is gerekend met respectievelijk ca. 4500, 4000 en 3000 kg ds/ha.

Bij lichtere sneden zijn de effecten tegengesteld: de fosfaatuitscheiding stijgt, er moet (meer) ruwvoer aangevoerd worden, het krachtvoerverbruik daalt, en de kosten voor voederwinning stijgen.  De verlaging van het gehalte in graskuil is ongeveer 0,03 g fosfor per kilogram droge stof per dag dat de snede langer groeit. Dat is uit veldproeven gebleken. Meer resultaten en achtergronden zijn te vinden in het rapport “Lagere fosfaatuitscheiding op melkveebedrijven door zwaardere maaisneden”.