Lagere fosfaataanvoer zeugenbedrijf mogelijk met voeren van ontsloten granen

Nieuws

Lagere fosfaataanvoer zeugenbedrijf mogelijk met voeren van ontsloten granen

Gepubliceerd op
5 oktober 2017

Oriënterend onderzoek op een zeugenbedrijf geeft aanwijzingen dat het voeren van ontsloten granen de fosfaataanvoer van een bedrijf kan verminderden. Door het ontsluiten verbetert de fosforopname uit het graan waardoor de veehouder minder fosfor met andere voedermiddelen hoeft aan te voeren. Bij een gelijke fosforvastlegging in de dieren daalt dan tevens de fosfaatuitscheiding en daarmee het fosfaatgehalte van de mest.

Nieuwsgierig naar fosfaatoverschot

Een Drentse SPF-zeugenhouder voert zijn zeugen o.a. ontsloten gerst en tarwe, aangekocht van twee Groningse akkerbouwers. Een mooie, korte lokale keten. Het ontsluiten gebeurt door inweken en verhitten tot zo’n 60 graden. Dit verbetert de verteerbaarheid en de benutting van mineralen door de varkens, waardoor uiteindelijk minder fosfaat in de mest terecht komt. Nu wilde de zeugenhouder wel eens weten welke invloed deze voerstrategie heeft op zijn fosfaataan- en –afvoer en daarmee op het uiteindelijke fosfaatoverschot. Met financiering van de Provincie Drenthe heeft Wageningen Livestock Research dit voor zijn bedrijf onderzocht. Daarbij hebben ze alleen gebruik gemaakt van de beschikbare bedrijfsgegevens. Er zijn dus geen aanvullende metingen en/of analyses gedaan aan het voer, de dieren, of de mest.

Twee keer zes maanden

Om het voereffect te bepalen zijn twee voerperioden van ieder zes maanden met elkaar vergeleken. In de eerste periode voerde de zeugenhouder een rantsoen van mengvoer (89% op droge-stofbasis) aangevuld met een tweetal bijproducten (9% op droge-stofbasis). In de tweede periode bestond het rantsoen op droge-stofbasis voor circa 60% uit ontsloten gerst en tarwe, 22% uit mengvoer, 13% uit bijproducten en 4% uit enkelvoudige grondstoffen. Het voer werd verstrekt via een brijvoerinstallatie.

Minder aanvoer bij zelfde vastlegging is minder uitscheiding

Als gevolg van de vervanging van een aanzienlijk deel van het mengvoer door granen bleek het fosforgehalte in het voer in de proefperiode 23 % lager dan in de controleperiode. Dit daalde van gemiddeld 6,0 naar 4,6 gram fosfor per kg droge stof voer.
Het fosforgehalte van de afgevoerde dieren, voornamelijk speenbiggen, is echter niet bekend. Maar als we ervan uitgaan dat de fosforvastlegging in de dieren gelijk is gebleven aan de forfaitaire normen, dan stijgt de fosforretentie – het deel van de voeropname dat in het dier wordt vastgelegd – door het voeren van de ontsloten granen van 21 naar 27 %. Dit betekent tevens dat de varkens minder fosfor hebben uitgescheiden. Analyses van de mest kunnen dit bevestigen.

Meer varkensmest per ha?

Bij analyse van de data bleek dat de mestafvoer in twee proefperioden niet representatief was voor de daadwerkelijke mestproductie in die perioden. Hierdoor was het niet mogelijk om het effect van minder fosfor in voer op het fosfaatgehalte in de mest vast te stellen. Op basis van de KWIN-normen voor mestproductie is vervolgens berekend wat het effect op het fosfaatgehalte zou zijn geweest als de fosfaatvastlegging in de varkens gelijk is gebleven. Het berekende fosfaatgehalte in de mest zou dan gedaald zijn van 4,3 naar 3,0 gram per kg, een afname van ruim 30 %. Dit zou betekenen dat per hectare meer kuubs varkensmest uitgereden kunnen worden (althans waar de fosfaatbemesting bepalend is) en met dus een hogere aanvoer van organische stof.

De uitkomsten van het onderzoek geven duidelijke aanwijzingen dat met het ontsluiten van granen de fosfaataanvoer naar een varkensbedrijf verminderd kan worden en dat, indien de fosfaatvastlegging in de varkens gelijk blijft, het fosfaatgehalte in de mest afneemt. Om het werkelijke effect van het ontsluiten van graan vast te stellen, is een vervolgonderzoek nodig met aanvullende metingen en analyses.