Schol in overlevingsunit

Nieuws

Eerste resultaten overlevingskansen ondermaatse vis in de pulsvisserij

Gepubliceerd op
13 maart 2017

Van de gevangen ondermaatse tong overleeft 29 procent het vangst- en verwerkingsproces. Bij de schol is dit percentage 15 procent. Dit blijkt uit onderzoek van Wageningen Marine Research naar de overlevingskansen van ondermaatse platvis in de pulsvisserij. Het onderzoek in het kader van de aanlandplicht is uitgevoerd in opdracht van de Coöperatieve Visserijorganisatie en mede gefinancierd door het Europees Visserij Fonds. Het onderzoek is gepubliceerd in het ICES Journal for Marine Science.

Sinds de invoering van de Europese aanlandplicht, mag ondermaatse vis (dat is te kleine vis die niet verkocht mag worden voor menselijke consumptie) van soorten waarvoor een vangstquotum geldt, niet meer teruggegooid worden in zee. Deze vis moet mee aan land. Voor soorten, waarbij een hoge overlevingskans is aangetoond na het terugzetten in zee, kan een uitzondering op de aanlandplicht worden aangevraagd. Om deze reden heeft de Coöperatieve Visserijorganisatie Wageningen Marine Research de opdracht gegeven de overlevingskansen van schol, tong en schar in de Noordzee te onderzoeken. De resultaten uit dit eerste onderzoek laten zien dat van de gevangen ondermaatse schol gemiddeld 15% overleeft en van de tong 29%. Geschat wordt dat 16% van de schar het vangen en verwerken aan boord overleeft.

Onderzoeksmethode volgens internationale richtlijnen

De wetenschappers van Wageningen Marine Research hebben het onderzoek uitgevoerd volgens richtlijnen die zijn ontwikkeld door ICES (International Council for the Exploration of the Sea). De ondermaatse vissoorten werden aan boord van een commercieel vissersschip verzameld. Dat gebeurde zowel direct nadat de vangst was binnengehaald als aan het einde van het vangst-sorteerproces. De verzamelde vissen werden gecontroleerd op beschadigingen en per vijf vissen in een bak met doorstromend zeewater gedaan. Deze bakken werden vervolgens elke dag gemonitord en, zodra de vissersboot weer in de haven lag, verplaatst naar het laboratorium. Daar werden de vissen nog tot 3 weken na de vangst in de gaten gehouden.

Oorzaken sterfte

Het grootste gedeelte van de vissen sterft in de eerste dagen nadat ze aan boord zijn gehaald. Waarschijnlijk gebeurt dit door zuurstofgebrek, of verwondingen die ze hebben opgelopen tijdens het vangstproces. Een ander deel sterft enkele dagen later alsnog, door infecties aan wondjes op de huid en aan de schubben. Ook de watertemperatuur blijkt een belangrijke factor: de overlevingskans neemt af als de temperatuur van het zeewater stijgt. Daarnaast waren er verschillen in de overlevingskans van zowel schol als tong tussen de twee onderzochte schepen. Of dit ligt aan kleine verschillen in tuigopstelling, vislocatie of andere factoren is nog onbekend. Ook is er voor schol gevonden dat de vangstsorteertijd van invloed is op de overlevingskans. De vissen die als eerste ‘geholpen’ worden, hebben de grootste overlevingskans.

Vervolgonderzoek

Het onderzoek naar de overlevingskansen van (ondermaatse) vis wordt in opdracht van de visserijsector vervolgd. Vanaf april 2017 wordt aan boord van commerciële vissersschepen gekeken of veranderingen in de verwerking aan boord en de manier van vissen tot een verhoogde overlevingskans leiden. Daarnaast wordt het onderzoek uitgebreid naar andere soorten.

Lees hier de uitgebreide resultaten van het onderzoek.