Nieuws

Genen gevonden waardoor aardappelplanten ook in Nederland aardappels kunnen maken

Gepubliceerd op
6 maart 2013

Een internationaal team van onderzoekers, geleid door Wageningen University, onderdeel van Wageningen UR, hebben het genetische mechanisme gevonden waarmee aardappels, van origine afkomstig van rond de evenaar, tegenwoordig ook in Nederland geteeld kunnen worden.

De aardappel komt van origine uit de Andes in Zuid-Amerika, een plaats met relatief korte dagen. De Spanjaarden brachten die aardappels mee naar Europa, waar in het voorjaar en de zomer de dagen juist lang zijn. De onderzoekers vonden varianten van een gen die de planten in staat stellen om juist bij lánge dagen onder de grond aardappels te vormen. Moderne aardappelrassen kunnen op die manier hoge voedselopbrengsten te geven in landen ver van de evenaar, zoals Canada en Nederland. De gevonden genetische varianten zijn waarschijnlijk cruciaal geweest voor het succes van de aardappel, het derde voedselgewas in de wereld.

aardappelknollen.jpg

De aardappel wordt al 10.000 jaar geteeld en gegeten. Maar tot het einde van de 16e eeuw was de teelt beperkt tot de plaats waar nu de landen Bolivia, Peru en Chili te vinden zijn: dicht bij de evenaar. De dagen en nachten zijn daar altijd ongeveer 12 uur. De aardappel kwam naar Europa nadat de Spanjaarden delen van Zuid Amerika veroverd hadden. Ze kwamen daarmee terecht in gebieden met lange dagen en korte nachten. De Zuid-Amerikaanse aardappelplanten zullen daarom pas in de herfst aardappels hebben kunnen vromen, waardoor de opbrengsten heel laag zullen zijn geweest. Moderne aardappelrassen kunnen echter uitstekend in Nederland geteeld worden. Er zijn ‘late’ en ‘vroege’ rassen. Sommige vroege rassen beginnen al in april met het vormen van aardappels.

De onderzoekers vonden in een bepaald ‘regulator-gen’ mutaties, die moderne aardappelrassen in staat stellen om bij lange dagen aardappels te vormen. Deze mutaties hebben er voor gezorgd dat aardappels tegenwoordig ver van de evenaar hoge voedselopbrengsten kunnen geven. De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in Nature. Het team van auteurs, geleid door Wageningen UR Plant Breeding, beschrijft dat specifieke combinaties van varianten van het gen, dat iedere aardappelplant in viervoud heeft, leidt tot de ‘vroegheid’ of ‘laatheid’ van een aardappelras. Plantenveredelaars kunnen de nieuwe kennis gebruiken bij het ontwikkelen van rassen die optimaal geschikt zijn voor de voedselproductie op bepaalde breedtegraden.

Het onderzoek is medegefinancierd door de Europese Unie, Technologiestichting STW en Wageningen UR.