Meest gestelde vragen

Mag RoundUp Evolution na 2012 nog worden toegepast op verhardingen?

Roundup Evolution is toegelaten tot 31-12-2015. In theorie zou de Europese registratie geëvalueerd moeten zijn voor de "oude" expiratiedatum van 30 juni 2012. Dit geldt niet alleen voor glyfosaat maar voor een hele reeks actieve ingredienten en staat los van het specifieke gebruik op verhardingen. Wegens de hoge werkdruk bij de Europese registratiecommissie is deze deadline niet gehaald. Om diereden zijn de nationale erkenningen door het Ctgb verlengd. Glyfosaat mag voorlopig dus nog worden gebruikt. De uitkomst van de evaluatie is bepalend voor het wel of niet verlengen van de toelating.

Het bovenstaande staat los van de discussie die in Nederland op nationaal niveau wordt gevoerd over het wel of niet toestaan van chemische onkruidbestrijding op verhardingen. De verwachting is dat hier medio 2014 meer duidelijkheid over zal komen.

Wat wordt bedoeld met de hardheid van drinkwater?

De hardheid van het water heeft te maken met de hoeveelheid kalk die er in dat water is opgelost. Eigenlijk gaat het om twee verschillende stoffen: calcium en magnesium. Die stoffen bepalen samen de hardheid. De hardheid van het water wordt in Nederland uitgedrukt in °D (graden Duitse hardheid) of mmol/l.

De Nederlandse waterbedrijven maken gebruik van verschillende waterbronnen, de hoeveelheid mineralen verschilt per bron, de hardheid verschilt daarom per regio. In het Waterleidingbesluit (hierin staan de normen bepaald waaraan de Nederlandse waterbedrijven zich moeten houden) staat zowel een minimum- als een maximumnorm beschreven voor de hardheid van het kraanwater. Deze moet tussen de 5,6 °D en 14 °D liggen. Het leidingwater in Nederland heeft over het algemeen een hardheid van rond de 8 °D, maar kan in sommige gebieden hoger liggen. Bij twijfel kunt u de hardheid van het leidingwater opvragen via de website van uw waterbedrijf.

Voor onkruidbestrijding op verhardingen wordt in hoofdzaak glyfosaat (merknaam o.a. Roundup Evolution) gebruikt. Deze stof kan zich bij een hoge concentratie van calcium- en magnesiumionen in het water aan deze ionen binden. Bij een hardheid hoger dan 12 °D zal gemiddeld 10 -25 % van de toegevoegde hoeveelheid glyfosaat geïnactiveerd worden door de in het water aanwezige calcium- en magnesiumionen.

Bij een hardheid hoger dan 12 °D kunt u de volgende maatregelen treffen conform de DOB-richtlijnen:

- Maak bij water harder dan 12°D (circa 2 mmol Ca- + Mg-ionen/l water) gebruik van sulfaat- (b.v. ammoniumsulfaat), fosfaat- of citraatbevattende hulpstoffen. Bij sommige hulpstoffen worden teststrips of -flacons geleverd of bepaalt de kleuromslag in de spuitoplossing de juiste dosering, waardoor gebruik wordt vergemakkelijkt. Bij twijfel, raadpleeg de fabrikant van het bestrijdingsmiddel;
- Geen lagere dosering toepassen bij ongunstige omstandigheden zoals schraal, zonnig weer en groot en/of afgehard onkruid. Gebruik van hard water kan juist dan de werking extra sterk verminderen;
- Start met spuiten direct na het aanmaken van de spuitvloeistof

Waterbedrijven in Nederland

Waar liggen de drinkwaterinnamepunten in Nederland?

Volgens de DOB richtlijnen (Shortlist 1, punt 5) mogen geen onkruidbestrijdingsmiddelen worden toegepast op verhardingen die afspoelen naar een punt in stromend oppervlaktewater dat via een open verbinding 10 kilometer stroomopwaarts ligt van een innamepunt voor drinkwaterproductie. Indien de stroom­snel­heid kleiner is dan 0,05 km/uur (0,01 m/s), mag niet worden gespoten binnen een straal van 1 km tot het innamepunt.

De innamepunten uit rijkswateren zijn:
1 Scheelhoek, Haringvliet, Evides
2 Biesbosch, Maas, Evides
3 Brakel, afgedamde Maas, DZH
4 Heel, Lateraalkanaal, WML
5 Nieuwegein, Lekkanaal, Waternet
6 Nieuwersluis, Amsterdam-Rijnkanaal, Waternet
7 Andijk, IJsselmeer, PWN
8 Enschede, Twentekanaal, Vitens

Klik op Nederland leeft met water voor meer informatie en de ligging van de innamepunten in Nederland.

Wat zijn grondwaterbeschermingsgebieden?

Grondwaterbeschermingsgebieden zijn gebieden waaruit drinkwater opgepompt wordt. De grootte van grondwaterbeschermingsgebieden kunnen verschillend zijn, omdat de opbouw van de bodem bepalend is voor de "reissnelheid" van het water. Alle activiteiten die in grondwaterbeschermingsgebieden plaats vinden, kunnen een bedreiging zijn voor de kwaliteit van het te winnen drinkwater. Daarom zijn er strenge wettelijke normen vastgesteld. Op deze pagina vindt u enige achtergrondinformatie over grondwaterbeschermingsgebieden in Nederland (bron: Vewin)

Kijk hier voor een overzichtskaart

Grondwaterbeschermingsgebieden bestaan uit twee zones: het waterwingebied, direct rond de winputten (de zestig-dagenzone) en de beschermingszone, het gebied tussen de zestig-dagengrens en de 25 jaarsgrens. Niet alle waterwingebieden zijn omgeven door een beschermingszone, sommige winningen kennen namelijk boringsvrije zones. Ook is een combinatie mogelijk van een grondwaterbeschermingszone, die omgeven wordt door een boringsvrije zone.

Er zijn drie combinaties van grondwaterbeschermingsgebieden mogelijk:
1. Een waterwingebied en een boringsvrije zone (niet kwetsbaar)
2. Een waterwingebied, een boringsvrije zone en een grondwaterbeschermingsgebied
(deels kwetsbaar)
3. Een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied (kwetsbaar)

Waterwingebied
Het waterwingebied is de directe omgeving van de winputten. Hier zijn in principe alleen activiteiten toegestaan die in verband staan met de openbare drinkwatervoorziening. Het oprichten en uitbreiden van alle overige inrichtingen, evenals activiteiten waarbij stoffen in de bodem kunnen komen die schadelijk zijn voor drinkwater of waarbij de bodemopbouw verstoord wordt, zijn verboden (o.a. gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen, toepassen van secundaire grondstoffen en lozingen in de bodem).

Beschermingszone
In de beschermingszone rond de waterwingebieden zijn ook activiteiten mogelijk die niet in verband staan met de openbare drinkwatervoorziening. Deze activiteiten zijn echter wel aan regels gebonden. Naast een oprichtingsverbod voor inrichtingen die zeer ernstig bedreigend zijn voor het grondwater, is de milieuhygiënische regelgeving voornamelijk gericht op het zo klein mogelijk houden van de risico’s op verontreiniging. Dit gebeurt door het stellen van regels en het (doen) voorschrijven van bodembeschermende voorzieningen en maatregelen.

Boringsvrije zone
In de boringsvrije zone geldt alleen een verbodsbepaling voor het in gebruik hebben van boorputten en het roeren van de bodem dieper dan 10 meter onder maaiveld. Hiermee wordt beoogd perforatie van beschermende lagen boven de winning te voorkomen.

Welke verplichtingen heeft een (hoofd)aannemer indien deze spuitwerkzaamheden opdraagt aan een gecertificeerde onderaannemer?

Uitgangspunt is dat de toepassing van glyfosaat op verhardingen gecertificeerd plaatsvindt.

Indien een hoofdaannemer met gecertificeerde onderaannemers werkt is het niet noodzakelijk dat de hoofdaannemer zelf gecertificeerd is. Als er in een werkgebied meer dan één onderaannemer werkzaam is, heeft de hoofdaannemer (opdrachtgever) en/of terreineigenaar wel de verantwoordelijkheid om de onderaannemer(s) op de hoogte te stellen van toegepaste hoeveelheden glyfosaat door derden in het betreffende werkgebied en/of de voorgenomen toepassingen daarvan.

Indien de hoofdaannemer zelf gecertificeerd is voor Toepassing glyfosaat op verhardingen, en hij spuitwerkzaamheden uitbesteedt, moeten de criteria zijn opgenomen in de opdrachten en bestekken en zal de certificatie-instelling ook in staat moeten worden gesteld de uitvoering van de toepassing van glyfosaat door deze derden te controleren.

Welke risico's zijn er verbonden aan het gebruik van glyfosaat in de openbare ruimte, met name op speelplaatsen?

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot de menselijke gezondheid is een gevoelig onderwerp, zeker als het gaat om de gezondheid van kinderen. In de openbare ruimte is Roundup Evolution het enige toegelaten middel op basis van glyfosaat bij professionele bestrijding van onkruid op verhardingen. Er doen veel verhalen de ronde over de voor- en nadelen van deze middelen. De nuance is soms ver te zoeken, vandaar een korte toelichting.

Voordat gewasbeschermingsmiddelen in Nederland op de markt mogen worden gebracht wordt er een uitgebreide, wetenschappelijk verantwoorde, risico-evaluatie uitgevoerd door de Nederlandse (Ctgb) en Europese (EFSA) toelatinginstanties voor gewasbeschermingsmiddelen. Uit deze evaluatie blijkt dat er voor dit middel geen risico's voor de menselijke gezondheid zijn. Ter illustratie: er zitten ook glyfosaatachtige (fosfonaten) stoffen in wasmiddelen.

Of toepassing van glyfosaat uit oogpunt van duurzaamheid en mogelijke risico’s voor mens en natuur gewenst is hangt af van de locatie en welke aspecten worden meegenomen in de duurzaamheidafweging. Op bepaalde plaatsen dicht bij innamepunten uit oppervlaktewater voor drinkwaterproductie is het niet toegestaan glyfosaat te gebruiken omdat het middel kan afspoelen en het innamewater kan vervuilen. Directe risico's voor de volksgezondheid zijn niet te verwachten, het gebruik van glyfosaat is op die plaatsen niet gewenst vanuit voorzorgprincipe, ondersteunt vanuit wetgeving door een norm van 0,1 microgram per liter voor gewasbeschermingsmiddelen. Verder weg van deze innamepunten gaat het om weging van milieubelasting en -effecten van glyfosaat versus alternatieve, niet-chemische methoden. Helaas vergen de alternatieven relatrief veel energie en veroorzaken ook (negatieve) milieueffecten. Het gaat dus om de relatieve vergelijking van duurzaamheidsaspecten. Voeg daarbij dat de kosten van de alternatieven 3 tot 5 keer zo hoog zijn. Er is een Levens Cyclus Analyse (LCA) methode beschikbaar om de milieueffecten van glyfosaat en alternatieven in beeld te brengen (zie eventueel het recent uitgekomen boek "Onkruidbeheer op verhardingen - van beleid naar uitvoering' van CROW in Ede, www.crow.nl).

Daarna wordt het een politieke keuze. Dat geldt ook voor de keuze wel of niet glyfosaat gebruiken op speelplaatsen. Feitelijk is er geen risico voor de menselijke gezondheid maar uit voorzorgprincipe is het te verdedigen om op die specifieke plaatsen geen gebruik te maken van een onkruidbestrijdingsmiddel. Deze beperking uit voorzorg wordt door meerdere gemeenten in Nederland gehanteerd.

Welk oppervlak moet ik aanhouden bij het toetsen aan het DOB doseringsmaximum voor glyfosaat en MCPA?

Het jaarlijkse gebruiksmaximum van glyfosaat en/of MCPA wordt getoetst door de absolute hoeveelheid gebruikt middel te delen door het te beheren oppervlak halfopen verhardingen in de werkopdracht(en) van de werkeenheid. Bij de berekening moet worden uitgegaan van de volgende oppervlakte:

de oppervlakte verhardingen waarop op chemische wijze onkruid beheerd wordt vanuit wettelijk en contractueel perspectief.

Inclusief:
- alle oppervlakte halfopen verhardingen waarbij alle oppervlakte van de niet-spuiten locaties (taluds, 1 meter zone langs oppervlaktewater, 1 meter zone rond kolken)meegerekend worden;
- maximaal 1% van het areaal gesloten verhardingen (randstroken, scheuren of gaten)

Exclusief:
- de oppervlakte gesloten verhardingen (overige >99%);
- de oppervlakte open verhardingen.
- de oppervlakte verhardingen die afspoelen naar een punt in stromend oppervlaktewater dat via een open verbinding 10 kilometer stroomopwaarts ligt van een innamepunt voor drinkwaterproductie;
- de oppervlakte verhardingen waaraan expliciet de opdracht is gegeven dat onkruidbestrijding op die verharding volledig chemievrij plaats dient te vinden;
- de oppervlakte verhardingen die op initiatief van de opdrachtnemer chemievrij beheerd wordt.

NB. In bestekken wordt over het algemeen uitgegaan van te behandelen oppervlak. Het te behandelen oppervlak is meestal kleiner dan het te beheren oppervlak omdat er op voorhand van wordt uitgegaan dat op bepaalde oppervlakken halfopen verhardingen geen onkruidbestrijding noodzakelijk is, denk hierbij aan rijbanen van klinkers met hoge verkeersdruk of intensief belopen betrating in (delen van) voetgangersgebieden en rond winkelcentra.

Wat wordt bedoeld met gesloten, halfopen en open verhardingen?

Wat wordt bedoeld met gesloten, halfopen en open verhardingen?

Er wordt uitgegaan van drie typen verhardingen:

Gesloten verhardingen, bestaande uit verharding van ter plekke aangebracht aanvankelijk plastisch materiaal. Deze verharding kent geen voegen (bv. asfalt, beton).

Halfopen verhardingen, hier vallen voornamelijk de elementverhardingen onder. Verhardingen bestaande uit losse elementen die geordend zijn aangebracht. Tussen de elementen bevinden zich voegen die meer of minder water­door­latend kunnen zijn (bv. trottoirtegels, straatstenen). ZOAB (Zeer Open Asfalt Beton) wordt ook tot deze categorie gerekend.

Open verhardingen, bestaande uit gestorte materialen of materialen met hygroscopisch karakter (bv. grint, gravel, schelpen, slakken, puin, webromix of grasbetontegels en grasbetonstenen met open gaten).

Wat is het verschil tussen een enkelvoudige en een samengestelde werkeenheid?

Registraties dienen per werkeenheid beschikbaar te zijn. Er worden twee typen werkeenheden onderscheiden.

Enkelvoudige werkeenheden: Bij een enkelvoudige werkeenheid is het project (een bestek of werkopdracht van één terreineigenaar of opdrachtgever) de werkeenheid. Het gaat hier vooral om grote opdrachten voor gemeenten, provincies en industrieën e.d. De bovengrens ligt op 50 ha halfopen verhardingen per project, er is geen ondergrens qua areaal.

Samengestelde werkeenheden: Bij kleine projecten is er sprake van werkopdrachten waarbij per opdracht het areaal halfopen verhardingen minder dan 1 ha is. Het gaat hier vooral om kleine opdrachten voor bedrijven en particulieren. Het kan ook gaan om een opdracht voor bijvoorbeeld een grote onderneming met veel losse vestigingen in Nederland die per stuk een klein areaal halfopen verhardingen hebben. Kleine opdrachten mogen worden samengevoegd tot een grote werkeenheid tot maximaal 25 ha halfopen verhardingen per werkeenheid.

Welke apparatuur mag ik gebruiken voor het spuiten op verhardingen?

In onderstaande tabel staat weergegeven welke toedieningstechnieken gebruikt kunnen worden binnen het certificaat Barometer Duurzaam Terreinbeheer èn conform WG/GA van middelen op basis van glyfosaat.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen voertuiggedragen basistechnieken en handgedragen toedieningsapparatuur voor moeilijk bereikbare plaatsen. Bij voertuiggedragen apparatuur is selectieve inzet d.m.v. sensoren of vergelijkbaar vereist. De toepassingscriteria zijn gedifferentieerd per type toedieningstechniek op basis van selectiviteit. Apparatuur die minder middel naast het onkruid op de straat terecht doet komen, hebben minder inperkingen qua inzetbaarheid.

Omschrijving Merk en modelnamen Toepassingscriteria1
Voertuiggedragen apparatuur
Standaard sensorgestuurde spuiten Weed IT, Weedseeker, Selectspray of vergelijkbaar­­ 2 Inzetbaar als 24 uur vooruit de kans op neerslag kleiner gelijk 40 % is.
Innovatieve sensorgestuurde spuiten Weed IT model 2006 MKII of vergelijkbaar 3 Inzetbaar als 15 uur vooruit de kans op neerslag kleiner gelijk 40 % is.
Onkruidbestrijkers Greentouch, Rotofix, of vergelijkbaar Inzetbaar als 6 uur vooruit de kans op neerslag kleiner gelijk 40 % is en inzetbaar op bepaalde spuitvrije zones
Schijfvernevelaars op spuitboom Mankar 50/110EL Selekt en Varimant aanbouw- modellen, Agricult Laag- VolumeSpuit of vergelijkbaar Inzetbaar mits selectief toegepast en als 24 uur vooruit de kans op neerslag kleiner gelijk 40 % is
Handgedragen appara- tuur (moeilijk bereikbare plaatsen)
Spuitlans gekoppeld aan rugbus of reser- voir op een voertuig Diversen Inzetbaar als 24 uur vooruit de kans op neerslag kleiner gelijk 40 % is.
Handgedragen schijfvernevalaar Micro Mantra, Mini Mantra en Mini Mantra Plus, OnkruidLans of vergelijkbaar Inzetbaar als 24 uur vooruit de kans op neerslag kleiner gelijk 40 % is.
Aanstipapparatuur en strijkers Selector, Selectielans, Hand­gedra­gen strijkapparatuur of vergelijkbaar Inzetbaar als 6 uur vooruit de kans op neerslag kleiner gelijk 40 % is en inzetbaar op bepaalde spuitvrije zones

1 het hoeveelheidcriterium van 1 mm wordt niet gedifferentieerd per techniek
2 sensorgestuurde spuiten waarvan de selectiviteit overeenkomt met een breedte per sensor-dop van 20-25 cm.
3 sensorgestuurde spuiten met verbeterde selectiviteit (breedte per sensor-spuitdop 8 cm).

Wat zijn 'moeilijk bereikbare plaatsen'?

Moeilijk bereikbare plaatsen zijn plaatsen binnen een werkeenheid waar men met ‘op een voertuig gemonteerde toedieningapparatuur van glyfosaat’ niet of moeilijk bij kan, bijvoorbeeld direct naast obstakels als lantaarnpalen, verkeersborden en straatmeubilair, onder geparkeerde voertuigen, direct naast muren of afrasteringen grenzend aan verhardingen, of bij ongelijk liggende verhardingen en goten.

Van deze uitzonderingregel mag ook gebruik worden gemaakt als men met het voertuig (vierwielige quad, kleine tractor of vergelijkbaar) logischer­wijs niet of moeilijk naar of over het betreffende verhardingdeel kan rijden. Belangrijk hierbij is wel dat op deze plaatsen selectief en terughoudend gespoten wordt met spuitlans omdat anders het gebruiksmaximum wordt overschreden.

Wat betekent: “Spuitomstandigheden Roundup Evolution” op de DOB weerfax?

Deze informatie is afgeleid uit het voor de landbouw ontwikkeld programma “Gewis”. Dit programma bepaald het meest optimale spuitmoment en dosering op basis van twintig verschillende factoren. Deze informatie is vooral bedoeld voor uitvoerders.

De factoren die door het programma worden gewogen hebben betrekking op de werking van het meest toegepaste middel Roundup Evolution ( bv. de dikte van de waslaag, uitdroging van de waslaag en het temperatuureffect op werking) en de uitvoering van de bestrijding. Dit laatste aspect heeft betrekking op de weeromstandigheden, zijn deze gunstig of ongunstig voor een goede bestrijding van het onkruid (bv. de windsnelheid, dauw of neerslag binnen 6 uur na toediening).

Let op, het doseringsadvies mag pas worden gebruikt indien het volgens de DOB neerslag-richtlijn is toegestaan de komende dag te spuiten.

Meer informatie kunt u vinden op www.opticrop.nl onder online en Gewis online.

Wat kost onkruidbeheer op verhardingen?

De kosten van onkruidbestrijding op verhardingen hangt o.a. af van de gewenste beeldkwaliteit, de bestrijdingsmethode, type verharding, verkeersintensiteit en de hoeveelheid obstakels. Selectie op laagste kostprijs geeft aanleiding tot het afwentelen van kosten op het milieu. Het is aan te bevelen om uw kostprijs te toetsen aan kostprijscijfers in uw omgeving en van vergelijkbare terreinen.

In 2012 zijn kostprijzen berekend voor de meest gangbare technieken van onkruidbestrijding op verhardingen. Hierbij is een kostensystematiek toegepast die gangbaar is binnen grond-, weg- en waterbouw en de groensector. De kengetallen waarmee is gerekend zijn aangeleverd door diverse groenaannemers en producenten van machines.

Uit het onderzoek blijkt – niet geheel onverwacht – dat de prijzen vooral worden bepaald door de vervangingswaarde van de machines, inzetbaarheid van de machines over het jaar en capaciteit (ha/uur). De berekende prijzen variëren van ca. 1 tot 8 eurocent per m2 afhankelijk van de techniek.

Met deze prijzen kunnen kosten van bestekken en werkpakketten in perspectief worden geplaatst. Als voorbeeld is een bestek voor beeldkwaliteit B uitgewerkt. De berekende jaarkosten liggen tussen minimaal 4 en maximaal 29 eurocent per m2 en worden sterk bepaald door de gekozen techniek. Er is anno 2012 nog steeds een groot verschill tussen prijzen voor chemische en niet chemische technieken van, op jaarbasis globaal 10 eurocent per m2.

Meer informatie over kosten van onkruidbestrijding kunt u nalezen in het rapport: Kosten onkruidbeheer op verhardingen. Rapport 432 (2012), Plant Research International, Wageningen.

Laatst gewijzigd: 11-4-2013

Wat zijn de verschillen in milieueffecten tussen de meest gangbare onkruidbestrijdings­­methoden?

Onderzoekers van Plant Research International van Wageningen UR hebben in samenwerking met IVAM van de Universiteit van Amsterdam de milieueffecten bepaald van de meest gangbare onkruidbestrij­dings­technieken op verhardingen. Uit deze levenscyclus analyse (LCA) blijkt dat zorgvuldig chemiegebruik op verhardingen vanuit milieuoogpunt beter scoort dan niet-chemische technieken zoals branden, borstelen, hete lucht en heet water.

In de LCA is de gehele levenscyclus in beschouwing genomen, van productie van grondstoffen tot verwerking van afval. De LCA-score bestaat uit 17 milieu-categorieën die los van elkaar worden vergeleken, en vervolgens (genormaliseerd en gewogen) bij elkaar opgeteld worden. Op grond van de totale milieuscores hebben de chemische onkruidbestrijdingstechnieken m.b.v. glyfosaat een aanzienlijk lagere impact op het milieu dan niet-chemische technieken.

Kijkend naar de afzonderlijke milieu-categorieën dan hebben de chemische methodes de hoogste impact op zoet- en zoutwater ecotoxiciteit en eutrofiëring. Niet-chemische methoden hebben de hoogste impact op humane toxiciteit, fijnstofvorming, klimaatverandering en fossiele uitputting. Er is geen techniek die op alle milieu-categorieën altijd het beste of slechtste scoort.

Meer informatie over hetLCA onderzoek kunt u nalezen in het rapport: LCA quick-scan vergelijking onkruidbestrijdingsmethoden (2012), IVAM, Amsterdam.

Laatst gewijzigd: 11-4-2013

Welke veiligheidsinstructie of vakbekwaamheidsbewijs moet ik hebben?

VEILIGHEIDSINSTRUCTIES
Erkende veiligheidsinstructies moeten gebruikt worden voor de volgende werkzaamheden:

Het bedienen van een volledig gesloten zaadcoatingsmachine;

Het in een laboratorium ten behoeve van plantaardige weefselkweek in vitro gebruiken of voorhanden hebben van gewasbeschermingsmiddelen die volgens de desbetreffende toelating zijn bestemd om de levensprocessen van planten te beïnvloeden;

Het bestrijden van aardappelopslag door middel van een gewasbeschermingsmiddel op basis van de werkzame stof glyfosaat door middel van handapparatuur, voor zover de apparatuur is gevuld door een andere persoon die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming;

Het doden van ongewenste planten met handapparatuur gevuld met een gewasbeschermingsmiddel op basis van de werkzame stof glyfosaat bij de selectie van bolgewassen en andere planten ten behoeve van veredeling, voor zover de apparatuur is gevuld door een andere persoon die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming.

(tekst afkomstig uit Regeling Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden artikel 6.3a)

Een erkende instructie is vijf jaar geldig en kan door meerdere bedrijven gebruikt worden.
Een gevolgde instructie blijft vijf jaar geldig, ook op verschillende bedrijven.

VAKBEKWAAMHEIDSBEWIJZEN
Vakbekwaamheidsbewijs Uitvoeren Gewasbescherming
Dit bewijs is bedoeld voor agrarisch ondernemers, werknemers, bedrijfsleiders, hoofden van plantsoenendiensten , die beroepsmatig:
- zelf bestrijdingen uitvoeren of laten uitvoeren, door werknemers, op eigen terreinen;
- landbouwbestrijdingsmiddelen in bezit of opslag hebben.

Vakbekwaamheidsbewijs Bedrijfsvoeren Gewasbescherming
Bewijs voor beheerders of eigenaren van een agrarisch loonwerkbedrijf of groenvoorzieningbedrijven die middelen in hun bezit hebben en in opdracht van derden bestrijdingen (laten) uitvoeren. Ook (verkoop)adviseurs van gewasbeschermingsmiddelen moeten over licentie Bedrijfsvoeren beschikken.

Vakbekwaamheidsbewijs Distribueren Bestrijdingsmiddelen
Dit bewijs is er voor beheerders van verkooppunten van gewasbeschermingsmiddelen.

Vakbekwaamheidsbewijs Bedrijfsvoeren + Distribueren (per 1 aug 2009). Alles van Bedrijfsvoeren en Distribueren samen.

De bewijzen Uitvoeren en Bedrijfsvoeren vormen een gestapeld geheel. Dat betekent dat u voor het verkrijgen van licentie Bedrijfsvoeren, eerst in het bezit moet zijn van de opleidingsvereisten voor licentie Uitvoeren. Per 1 augustus 2009 is Distribueren bestrijdingsmiddelen ontkoppeld. Dit betekent dat de vooropleidingen Uitvoeren en Bedrijfsvoeren niet meer verplicht zijn.

Met het vakbekwaamheidsbewijs Distribueren Bestrijdingsmiddelen, afgegeven na 1 augustus 2009, mag u alleen werkzaam zijn op het gebied van transport en opslag van middelen. Er mag dan geen voorlichting meer gegeven worden. (als u dat wel wilt, moet u ook beschikken over een vakbekwaamheidsbewijs "bedrijfsvoeren").

Een vakbekwaamheidsbewijs is vijf jaar geldig en gaat in op de datum van afgifte van het getuigschrift of diploma.

Vakbekwaamheidsbewijs Mollen- en Woelratten bestrijding
Dit bewijs is voor ieder die met behulp van middelen op basis van fosforwaterstof mollen en of woelratten bestrijdt.

Meer informatie: Bureau Erkenningen

Laatst gewijzigd: 11-4-2013

Welke regels gelden m.b.t. onkruidbestrijding rond scholen en zorginstellingen?

Voordat gewasbeschermingsmiddelen in Nederland op de markt mogen worden gebracht wordt er een wetenschappelijke risico-evaluatie uitgevoerd door de Nederlandse (Ctgb) en Europese (EFSA) toelatinginstanties. Uit de evaluatie blijkt dat er voor Roundup Evolution met glyfosaat als werkzame stof geen risico's zijn m.b.t. menselijke gezondheid.

Dat neemt niet weg dat in de EU richtlijn 'Duurzaam gebruik pesticiden' de lidstaten worden opgeroepen extra maatregelen te nemen ter bescherming van kwetsbare groepen. De richtlijn geeft ook voorbeelden van dergelijke locaties, namelijk scholen, zorginstellingen ed. De uitdaging is een goede definitie te vinden van kwetsbare groepen en welke locaties daarvoor in aanmerking komen.

DOB 2.0 geeft invulling aan de richtlijn door planners en toepassers te vragen zeer terughoudend te zijn met gebruik van (onkruid)bestrijdingsmiddelen rondom schoolpleinen, speelplaatsen en zorginstellingen.

Feitelijk is er geen risico voor de menselijke gezondheid maar uit voorzorgprincipe is het te verdedigen om op die specifieke plaatsen geen gebruik te maken van een onkruidbestrijdingsmiddel. Er zijn gemeenten die deze beperking uit voorzorg rond scholen al langer hanteren en dat ook zo communiceren.

Op nationaal niveau is er nog discussie over het gebruik van glyfosaat in de openbare ruimte. Het kabinet werkt momenteel aan de invulling van een nieuwe nota duurzame gewasbescherming (2012-20123) waarin dit onderwerp zeker nog aan de orde zal komen.

Laatst gewijzigd: 11-4-2013

Kan er bezuinigd worden door over te stappen van niet-chemische naar DOB chemische onkruidbestrijding?

DOB zegt niet dat je moet spuiten. Binnen DOB kunnen zowel chemische als niet chemische technieken worden ingezet, kies je echter voor chemie dan gelden er specifieke beperkingen om de afspoeling van middel zoveel mogelijk te voorkomen. Waar het om gaat is een goede afweging te maken tussen kosten, effectiviteit en milieueffecten van de verschillende onkruidbestrijdingstechnieken zodat een kosteneffectief onkruidbeheer kan worden gerealiseerd.

Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn:

Chemische onkruidbestrijding is de goedkoopste variant. Het gemiddelde prijsverschil tussen chemische en niet-chemische technieken is ca. € 0,10 m2/jaar voor het realiseren van een CROW beeldkwaliteit B. Kiezen voor de laagste prijs levert niet altijd het gewenste beeld en kwaliteit op.

Gangbare onkruidbestrijdingsmethoden verschillen in effectiviteit,. Dat uit zich in verschillen in behandelingsfrequenties die nodig zijn om een bepaalde beeldkwaliteit te realiseren. Voor een beeldkwaliteit B gaat het bij inzet van chemie om 2-3 behandelingen per seizoen, voor niet-chemische technieken zijn 4-6 beandelingen nodig (dit bepaald ook voornamelijk het verschil in kosten). Voor elke techniek geldt dat er bepaalde onkruidsoorten zijn die (op termijn) minder goed worden bestreden

Milieueffecten: hier is op grond van een recente LCA studie veel over te zeggen. Globaal gezien is de conclusie dat chemie minder goed scoort op waterkwaliteit en niet-chemische technieken minder goed scoren op luchtkwaliteit gerelateerde milieueffecten als gevolg van het relatief hoge brandstofverbruik.

Een oplossingsriching zou kunnen zijn: kies voor een geïntegreerde aanpak, ofwel een slimme combinatie van chemie en niet-chemie. Kijk ook naar het beheergebied, is er veel open water met een afspoelingsrisico gebruik daar dan geen chemie maar een andere techniek.
Tenslotte nog twee punten waarop nog veel is te winnen:
- zet meer in op preventie (bij ontwerp, aanleg, onderhoud ed.)
- beter en intensiever veegbeheer (inzet van derde borstel ed.)

Laatst gewijzigd: 11-4-2013