Bovine tuberculose

Bovine tuberculose

Bovine tuberculose is een besmettelijke rundveeziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium bovis (M. bovis).

Bovine tuberculose is een chronische ziekte  die zich soms pas na jaren na infectie ontwikkelt. De eerste verschijnselen zijn vaak te zien in de lymfeknopen aan de kop van een dier; naarmate de ziekte zich verder ontwikkelt ontstaan er meer laesies in de longen en borstholte.

Gevoelige dieren (en mensen)

M. bovis kan ook bij andere dieren dan koeien bovine tuberculose veroorzaken, zoals bij geiten, schapen, varkens, vossen, buffels, dassen, opossums, hazen, antilopen, oryxen, kamelen, olifanten, leeuwen, lama’s, honden, katten etc. Bovine tuberculose is bovendien een zoönose, dat wil zeggen dat de ziekte van dier op mens overdraagbaar is en bij de mens bovine tuberculose veroorzaken die veel lijkt op de humane tuberculose.  

Tuberculose-complex

M. bovis is één van de mycobacteriële species die tuberculose in verschillende gastheren kunnen veroorzaken en behoort dan ook samen met deze species tot het zogenaamde Tuberculose-complex. Naast M. bovis zijn dit de species:

  • M. tuberculosis, de voornaamste veroorzaker van tuberculose bij de mens, heel sporadisch ook veroorzaker van tuberculose bij runderen;
  • M. caprae, oorspronkelijk geïsoleerd uit geiten, maar veroorzaker van runder tuberculose in Spanje, Duitsland en de andere Alpenlanden.
  • M. pinnipedii, oorspronkelijk afkomstig van manenrobben (Otaria flavescens) is inmiddels geïsoleerd als veroorzaker van tuberculose bij een grote verscheidenheid aan (dierentuin-) dieren en de mens;
  • M. microti, oorspronkelijk afkomstig van de woelmuis (Arvicolinae) inmiddels bij wilde zwijnen en de mens.

Klinische verschijnselen

Net als tuberculose bij de mens is bovine tuberculose vrijwel altijd een granulomateuze ontsteking van de longen en/of long-lymfeklieren. Verspreiding van de bacterie vindt dan ook voornamelijk plaats via de aerogene route. Echter, in een vergevorderd klinisch stadium kunnen ook de uier en uierlymfeklieren aangedaan zijn en kan verspreiding via de melk plaatsvinden. Transmissie van tuberculose via de melk was vroeger - tot de introductie van pasteurisatie - dan ook een van de voornaamste transmissieroutes naar mensen.

Wilde fauna

In het wild levende dieren die met M. bovis besmet zijn, kunnen de uiteindelijke bestrijding van bovine tuberculose bemoeilijken. Zo hebben bijvoorbeeld Groot-Brittannië en Ierland te maken met een zogenaamd natuurlijk reservoir van M. bovis in dassen (Meles meles), in herten (Cervus elaphus) en wordt in Nieuw-Zeeland de tuberculosebestrijding gehinderd door een natuurlijk reservoir in de possum (Trichosus vulpecula). Deze reservoirs vormen besmettingsbronnen voor de veestapel, waardoor de bestrijding van tuberculose bij rundvee in deze landen bemoeilijkt wordt. In Nederland is tot op heden geen tuberculose aangetoond in de wilde fauna.

Geschiedenis

In 1882 ontdekte Robert Koch de tuberkel bacterie, M. tuberculosis, de veroorzaker van tuberculose bij de mens. Hoewel tuberculose als ziektebeeld al veel langer bekend is, wordt de ziekte pas sinds eind 19de eeuw  gezien als een besmettelijke ziekte.  

Huidreactie om tuberculose vast te stellen

In navolging van deze ontdekking, ontwikkelde Koch het zogenaamde “Koch’s Alt Tuberkulin” (KOT), een hitte geconcentreerd extract van M. tuberculosis, met de bedoeling dit extract te gebruiken als geneesmiddel tegen tuberculose. Ondanks hardnekkige pogingen hiertoe kon de werkzaamheid van dit extract als geneesmiddel nooit aangetoond worden. Echter, een van de “bijwerkingen” die Koch in 1890 waarnam bij het injecteren van KOT, was het ontstaan van een huidreactie bij zowel geïnfecteerde proefdieren als mensen. In Denemarken was Bernhard Bang de eerste die de toepasbaarheid van deze “bijwerking” zag in de diagnostiek van bovine tuberculose. In Denemarken resulteerde dit reeds in 1892 tot de introductie van de “Bang methode” als basis voor ‘s werelds eerste bestrijdingsprogramma voor bovine tuberculose. Deze “Bang methode” bestond o.a. uit het met regelmatige tussenpozen injecteren van tuberculine en de introductie van tal van  nieuwe management maatregelen op bedrijven, zoals het gescheiden huisvesten van huidtest-positieve en huidtest-negatieve dieren en het pasteuriseren van melk van positieve dieren. Deze door Bernhard Bang ontwikkelde methode vormde de basis voor alle bestrijdingsprogramma’s voor bovine tuberculose sindsdien, en is dit nog steeds.

Bovine tuberculose in Nederland

Hoewel de “Bang methode” ook in Nederland werd geïntroduceerd was er, afgezien van lokale en vooral provinciale initiatieven, geen sprake van een nationale aanpak. Zo was bij de aankoop van een rund op de veemarkt in 1926 de kans nog zo’n 50% dat het dier besmet was met rundertuberculose. In 1951 was nog ongeveer 30% van de rundveebedrijven besmet met bovine tuberculose. Grote vooruitgang werd geboekt na de start in mei 1951van het nationale vijf-jarenprogramma ter bestrijding van rundertuberculose. Dit programma, gedeeltelijk gefinancierd uit de Amerikaanse Marshall hulp, was gebaseerd op de landelijke introductie van een sterk verbeterde, jaarlijkse huidtest, gebruikmakend van een “modern” PPD (purified protein derivative) tuberculine. Doordat de economische situatie niet toeliet dat alle huidtest positieve dieren direct werden geslacht, werd er geleidelijk begonnen met het slachten van deze dieren. Uiteindelijk kon er een landelijk verbod worden ingesteld op het houden van huidtest positieve dieren.

Door deze maatregelen was het percentage bedrijven besmet met rundertuberculose in 1955 al terug gebracht naar 3 procent. In de navolgende jaren werd de bestrijding op dezelfde wijze voortgezet en kon aan de hand van de Europese regelgeving de frequentie van de jaarlijkse huidtest gefaseerd worden terug gebracht. Het resultaat van al deze inspanningen was dat de bewaking middels de huidtest in 1992 definitief kon worden afgeschaft.

Nederland officeel vrij

Sinds 1 juli 1999 is Nederland officieel vrij van bovine tuberculose. Voorwaarden voor het behouden van deze vrij status zijn: een keuring van alle runderen na de slacht en een goed functioneren van een traceringssysteem om de herkomst van eventuele positieve gevallen op te kunnen sporen. Daarnaast dient het aantal positieve bedrijven binnen één kalenderjaar onder de 0,1% te blijven van het totale aantal rundveebedrijven.

Aangezien bovine tuberculose als zoönose een aangifteplichtige ziekte is, is naast de slachthuisbewaking, ook het melden van klinische verdenkingen van deze ziekte door dierenartsen, veehouders en laboratoria, zoals Wageningen Bioveterinary Research, verplicht.

Sinds het behalen van de vrijstatus zijn er middels de slachthuisbewaking een aantal met bovine tuberculose besmette bedrijven opgespoord. Echter, vrijwel alle  geconstateerde gevallen van bovine tuberculose kwamen voor bij geïmporteerde runderen, veelal vleeskalveren. Dit gebeurde meestal na z.g. “trace-forward calls”, berichtgeving door autoriteiten van het exporterende land, dat op grond van nieuwe resultaten van tuberculose-screening, de betrokken dieren afkomstig bleken te zijn van bovine tuberculose-positieve bedrijven.

Naast dit sporadisch voorkomen van bovine tuberculose in de rundveestapel ten gevolge van import, is er in Nederland geen sprake van tuberculose op andere veehouderijen. Echter, tuberculose wordt regelmatig geconstateerd bij een verscheidenheid aan exotische diersoorten in dierentuinen en kan dan zowel door M. bovisM. tuberculosis of M. pinnipedii veroorzaakt zijn.

Bewaking van de vrije status voor bovine tuberculose in Nederland

Bovine tuberculose is een aangifteplichtige ziekte. Binnen de EU is afgesproken dat voor aangifteplichtige virusziekten niet wordt gevaccineerd en aangifteplichtige bacteriële ziekten niet worden behandeld met antibiotica. Het dier wordt dan overgenomen door de staat en geruimd (gedood).

In het slachthuis worden dieren op bovine tuberculose gecontroleerd onder verantwoordelijkheid van de NVWA. Wanneer bij import van dieren het bedrijf van oorsprong in verband wordt gebracht met tuberculose worden de geïmporteerde dieren getuberculineerd.
Bij tuberculinatie wordt een kleine hoeveelheid tuberculine (materiaal van de afgedode bacterie)  in de huid van het rund gebracht. Deze test is vergelijkbaar met de Mantoux-test voor de mens. Wanneer het dier geïnfecteerd is met de bacterie, dan is een duidelijke huidreactie meetbaar.

Bij een positieve uitslag wordt – net als bij alle aangifteplichtige ziektes - bevestigingsonderzoek uitgevoerd. Dit vervolgonderzoek bestaat uit postmortaal onderzoek: het zoeken naar afwijkingen in het dier zelf. In de longen en de lymfeknopen wordt gezocht naar zichtbare en microscopische afwijkingen en door middel van een PCR-test. Via de PCR-test kunnen we het DNA van de bacterie aantonen, als de PCR test positief is betekent dit dat de bacterie in het dier aanwezig is en het dier dus geïnfecteerd was. Ook worden monsters genomen om de bacterie op te kweken en verder te karakteriseren. Met dit materiaal wordt de PCR uitslag bevestigd en kan de bacterie verder worden gekarakteriseerd. Op deze manier kan de betreffende bacterie worden vergeleken met andere bacteriën in een uitgebreide data-bank en kan de mogelijke bron worden opgespoord. 

Rol van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR)

Een van de voorlopers van WBVR, toentertijd gevestigd in Rotterdam, heeft een belangrijke rol gespeeld bij de eradicatie van bovine tuberculose in Nederland. Ook nu nog speelt WBVR, als National Referentie Laboratorium voor tuberculose bij dieren, een belangrijke rol bij de handhaving van de officiële vrijstatus.

Bij verdenkingen van tuberculose, hetzij bij slachthuisbevindingen of bij een positieve huidtest, wordt respectievelijk afwijkend weefsel voor analyse door, dan wel het positief bevonden dier voor sectie bij aangeboden ter bevestiging.

Het bevestigingsonderzoek gebeurt op diverse manieren:

• het aantonen van een granulomateuze ontsteking en/of mycobacteriën met behulp van (immuno-) histologie,
• de detectie van het genetisch materiaal van deze bacteriën met behulp van moleculaire technieken,
• het aantonen van mycobacteriën behorende tot het tuberculosecomplex door middel van de kweek.

Bevestiging van de aanwezigheid van M. bovis middels kweek geldt als de “gouden standaard” en is dan ook de definitieve bevestiging van een infectie met M. bovis. De kweek kan evenwel 4-10 weken duren en in afwachting daarvan kunnen de andere technieken ingezet worden om versneld beslissingen te kunnen nemen en het risico van verdere verspreiding, zowel binnen de veestapel als ook naar de bevolking toe, zo snel mogelijk te verkleinen.

Gezien het infectieuze en zoönotische karakter van M. bovis vindt al het bovengenoemde onderzoek plaats met inachtneming van strikte veiligheids-maatregelen onder het zogenaamde Biosafety Level 3 (BSL3).

In het geval van positieve bevindingen worden de geïsoleerde M. bovis-bacteriën altijd getypeerd met behulp van moleculaire technieken en vindt er altijd, in samenwerking met het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), een traceringsonderzoek plaats naar het voorkomen van dezelfde type isolaten onder de bevolking.

Naast deze nationale samenwerking vindt er op het gebied van bovine tuberculose ook via een uitgebreid netwerk van nationale referentie laboratoria een (onderzoeks-) samenwerking plaats om de diagnostische methoden te optimaliseren en binnen de EU te standaardiseren.