Nieuws

Verlaging carbon footprint Europese eiwitbronnen vraagt om innovatieve oplossingen

Gepubliceerd op
27 mei 2014

Op basis van een zogenaamde “attributional LCA” blijkt dat de carbon footprint van varkensvoer, waarin Europese sojaschroot of pluimveevleesmeel is verwerkt, vergelijkbaar is met die van varkensvoer met Zuid-Amerikaanse sojaschroot. Het verwerken van Europese zonnebloemzaadschilfers, maïs-DDGS (restproduct bio-ethanolproductie), meelwormen, algeneiwit en single-cell proteins zorgt voor een stijging van de carbon footprint van het varkensvoer. In deze berekeningen zijn de mogelijke verdringingseffecten van het op grote schaal produceren van deze Europese eiwitbronnen nog niet meegenomen. Om de carbon footprint van Europese eiwitten te verlagen zijn innovaties nodig. Dit blijkt uit lopend onderzoek van Wageningen UR in het kader van de PPS Feed4Foodure, in samenwerking met Stichting Natuur & Milieu, Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij en Nevedi.

Duurzaamheid alternatieve eiwitbronnen

Geïmporteerde sojaschroot uit Zuid-Amerika is momenteel een van de belangrijkste eiwitbronnen in diervoeders. Om de Europese mineralenkringloop te sluiten en minder afhankelijk te zijn van Zuid Amerika, neemt de vraag naar eiwitbronnen van Europese herkomst toe. Voorwaarde is wel dat deze eiwitbronnen op zijn minst even duurzaam zijn als geïmporteerde sojaschroot. Daarom is een studie uitgevoerd naar de duurzaamheid van enkele Europese eiwitbronnen. In overleg met het veevoerbedrijfsleven en de Stichting Natuur en Milieu zijn voor deze studie de volgende grondstoffen geselecteerd: sojaschroot geteeld in Nederland en in de Oekraïne, zonnebloemzaadschroot, pluimveevleesmeel, DDGS, meelwormen, algeneiwit en single cell proteins. Op basis van data uit de literatuur en de systematiek van het programma FeedPrint zijn de nutritionele waarde en de carbon footprint vastgesteld. Deze eiwitbronnen zijn ingerekend in een startvoer voor vleesvarkens, zonder dat de nutritionele waarde van het startvoer veranderde. Vervolgens is de carbon footprint van het startvoer vastgesteld, zowel met als zonder de bijdrage van “land use and land use change” (Luluc). Startvoer met Zuid-Amerikaanse sojaschroot gold hier als referentie.

Op basis van deze zogenaamde “attributional LCA” blijkt dat de carbon footprint (inclusief Luluc) van varkensvoer, waarin Europese sojaschroot of pluimveevleesmeel is verwerkt, vergelijkbaar is met die van varkensvoer met Zuid-Amerikaanse sojaschroot. Algeneiwit geeft ten opzichte van de referentie een lichte stijging (1-3%). Bij gebruik van zonnebloemzaadschroot of DDGS stijgt de carbon footprint met 4-5%. Het vervangen van Zuid- Amerikaanse sojaschroot door single-cell proteins of meelwormen geeft een stijging van de carbon footprint van meer dan 10%. In deze berekeningen zijn de mogelijke verdringingseffecten van het op grote schaal produceren van deze Europese eiwitbronnen nog niet meegenomen.

Toekomstperspectief

Vanuit nutritioneel oogpunt zijn veel gangbare en alternatieve eiwitten perspectiefvol voor verwerking in diervoeders (Van Krimpen et al., 2013). Aquatische eiwitten (zoals wieren en algen) leggen bovendien geen beslag op bestaande landbouwgronden, zodat de ontwikkeling van deze teelten kan bijdragen aan het vergroten van de Europese eiwitproductie. Insecten zijn in staat om laagwaardig eiwit om te zetten in hoogwaardiger eiwit, zodat de insectenteelt mogelijk ook een waardevolle bijdrage kan leveren aan de Europese eiwitvoorziening. De omzetting van reststroomeiwit naar insecteneiwit als grondstof voor diervoeders betekent een extra schakel in de voedselketen. Dit houdt in dat er onvermijdelijke verliezen optreden, hetgeen de carbon footprint verhoogt.

Om de carbon footprint van eiwithoudende gewassen te verlagen is het noodzakelijk dat de productie efficiënter wordt. In Europa zal meer aandacht besteed moeten worden aan de veredeling en verbetering van teeltomstandigheden van deze gewassen, zodat hogere opbrengsten per hectare gerealiseerd worden. Indien vochtrijke producten worden gedroogd (DDGS) is er behoefte aan toepassing van meer energiezuinige droogtechnieken, zodat de footprint daalt.