Houden we met polderen de Nederlandse polders wel droog?

  Nieuws
  Vaknieuws
  Wagenings commentaar
  Dossiers
  Perskamer
  Archief
  Agenda
  Nieuws
  2011
  2010
  2009
  2008
  2007
  2006
  2005
  2004
  2003
  2002
  2001
  2000
  RSS
  Agenda
  Open dagen
  Congressen en symposia
  Cursussen
  Promoties & Oraties

1 nov 2010
Onderdeel: Wageningen University
Nummer: P063

De commissie Veerman stelde dat Nederland zich moet voorbereiden op en aanpassen aan de toekomstige veranderingen van het klimaat. De situatie is niet acuut maar wel urgent, zo stelde zij. Onderzoekers van de universiteiten van Wageningen, onderdeel van Wageningen UR, Amsterdam (VU/IVM), Nijmegen en Delft hebben gekeken of  de Nederlandse bestuurlijke instituties wel in staat zijn om deze grote uitdagingen op het terrein van klimaatadaptie aan te kunnen. Het onderzoeksteam presenteert 2 november het eindrapport van hun klimaatgovernanceonderzoek 'How Dutch Institutions enhance the Adaptive Capacity of Society' in Den Haag.

De onderzoekers hebben een adaptatiewiel ontwikkeld waarmee ze de sterkten en zwakten van klimaatadaptatie kunnen opsporen en verbeteringen kunnen ontwikkelen. Dit wiel bestaat uit zes hoofdcriteria: 1) Variëteit (aan probleemanalyses, oplossingen en betrokken stakeholders; 2) Leervermogen; 3) Ruimte en stimulans voor bedrijven en burgers om zich autonoom aan te passen; 4) Leiderschap; 5) Hulpbronnen (macht, geld en kennis) en 6) Behoorlijk bestuur. 

Dit wiel is toegepast op de Nederlandse instituties, die bestaan uit wetten, beleidsnota’s en bestuurlijke processen. Hieronder een overzicht van de belangrijkste conclusies:

- De watersector is van oudsher sterk in het omgaan met teveel en te weinig water. De zwakten in deze sector zijn dat de historisch gegroeide oriëntatie op technische oplossingen en de daarmee gepaard gaande investeringen in kennis en infrastructuur, de huidige koers sterk blijven bepalen. Het is moeilijk om daarvan af te wijken. Ook leidt de enigszins paternalistische houding van ‘de staat zorgt voor uw waterveiligheid’ tot weinig besef en ervaring bij burgers en bedrijven om zelf met wateroverlast of dreiging om te gaan.

- De natuursector is het meest rigide en daarmee het minst adaptief. Dat komt door haar relatieve grote nadruk op het in stand houden van bestaande soorten en ecosystemen. Opvallend is wel dat naast deze rigide juridische structuren er een levendige informele praktijk is ontstaan van onderhandelen en  compromissen sluiten, een praktijk die juist weer veel ruimte biedt voor aanpassing aan veranderende klimaat omstandigheden.

- Binnen de ruimtelijke ordeningswereld is sprake van een grote afhankelijkheid van beslissingen uit het verleden waardoor het bijna onvermijdelijk is dat er wordt gebouwd in de lage, voor klimaatadaptatie ongunstige gebieden in Nederland. De ontwikkeling van dit soort nieuwe locaties gebeurt echter veelal erg adaptief. Mensen zijn er trots op dat ze in de meest kwetsbare delen van Nederland klimaatbestendig kunnen bouwen.

- Het is lastig om voldoende financiële middelen te reserveren voor toekomstgerichte en toekomstige investeringen. De watersector slaagt hier nog het beste in. Het gevolg is dat andere sectoren mee moeten koppelen met de watersector om hun klimaatadaptatie doelen gerealiseerd te krijgen. Dit biedt kansen voor creatieve koppelingen maar creëert ook afhankelijkheden.

- Gezien de onzekerheden rondom klimaatverandering is het belangrijk dat er redundantie is, dat betekent overlappende maatregelen en processen, bijvoorbeeld zowel dijken als klimaatbestendige inrichting van nieuwe woon- en werkgebieden.

- De actuele financiële situatie en de politiek gevoelde noodzaak tot grote bezuinigingen bij en door overheden kan zowel een negatief als een positief effect hebben. Door de toenemende focus op kosten efficiëntie en stroomlijning van de bureaucratie bestaat het gevaar dat er  binnen het Nederlandse bestuur steeds minder ruimte en waardering voor redundantie. Anderzijds kan een ontwikkeling waarin burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven meer eigen verantwoordelijkheid krijgen voor het treffen van maatregelen er ook voor zorgen dat de samenleving beter is voorbereid op klimaatverandering.  

- Er is veel variëteit en leervermogen. Echter het ontbreekt aan voldoende leiderschap om dit te benutten en om in de context van bestuurlijke drukte en vele onzekerheden tot besluiten en acties te komen. Er is wel leiderschap, maar meer van alles een beetje: een beetje visionair, een beetje realiserend vermogen en een beetje gericht op samenwerking en synergie. Dit sluit goed aan bij de Nederlandse polderinstituties. Op termijn zijn deze beetjes niet voldoende. 

Belangrijkste aanbevelingen van de onderzoekers:

- Er is een landelijke klimaatwet nodig die kan dienen als een soort stok achter de deur. Deze wet functioneert als een schaduw van de hiërarchie en wordt alleen geactiveerd wanneer regionale processen stagneren, leerprocessen te vrijblijvend worden of oplossingen te eendimensionaal worden. De wet kan helpen leiderschap voor de langere termijn te versterken, het leren beter te verankeren en variatie tot besluitvorming te brengen.
- Vermijd exclusieve focus op kostenefficiënte en herwaardeer redundantie, ook in de bestuurlijke processen zelf.
- De staat kan nooit alleen zorgen voor klimaatadaptatie. Er zijn structuren nodig om burgers en bedrijven toe te staan en te prikkelen om zich voor te bereiden op klimaatverandering en maatregelen te nemen die binnen hun bereik liggen.
- Het langetermijnkarakter van klimaatadaptatie vraagt om creatieve constructies voor het generen van klimaatfondsen, vooral ook voor maatregelen die vallen buiten de directe waterveiligheid.

NOOT VOOR DE REDACTIE
Meer informatie bij
Wageningen University: Prof. Katrien Termeer, tel. 0317 482957, e-mail katrien.termeer@wur.nl
Instituut voor Milieuvraagstukken, Vrije Universiteit, Prof. Joyeeta Gupta 020-59 89548.

De presentatie van het eindrapport is vanaf 14.30 uur in Madurodam, Hollandse Meesters zaal, Den Haag.


Print nieuwsbericht