Geen sprake van gestuurd onderzoek naar kosten statiegeld

Dossier

Geen sprake van gestuurd onderzoek naar kosten statiegeld

In het dispuut over het statiegeldonderzoek van Food & Biobased Research, onderdeel van de stichting Wageningen Research, heeft het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) van de KNAW geoordeeld dat alle klachten met betrekking tot de integriteit van de onderzoekers ongegrond zijn. Het college van bestuur van de stichting Wageningen Research (onderdeel van Wageningen University & Research) heeft het advies overgenomen.
Hiermee komt een eind aan een zaak die sinds 2014 sleepte. Het LOWI heeft geoordeeld dat de rapportage, de dataselectie en de werkwijze voldoende zorgvuldig zijn geweest en dat er geen sprake is geweest van door opdrachtgevers gestuurd onderzoek. De onderzoekers gaan volledig vrijuit en hebben het onderzoek correct en integer uitgevoerd en op correcte wijze gerapporteerd.

Het volledige LOWI-advies is te lezen op www.lowi.nl. Het eerdere advies van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit is te vinden op de website van het www.vsnu.nl. 

In dit online dossier zijn alle ontwikkelingen in chronolische volgorde beschreven en zijn de relevante rapporten terug te vinden.

2008 – maart 2009: Acquisitieperiode Project Kennisinstituut Nascheiding  (KCN), in overleg met Stichting Ecoverpakkingen, Stichting DDL, FNLI, CBL

22 maart 2009: Ondertekening contract & businessplan Project KCN, onder de vlag van Wageningen Food & Biobased Research. Er wordt een raad van toezicht geformeerd voor het onderzoek waarin zitting hebben: prof. Jack van de Vorst WU, prof. Thomas Pretz RWTH IAR Aachen, assoc. Prof H. Goossens TU/e, Philip den Ouden FNLI en Theo Roos CBL.

Mei 2009: Start onderzoek kosten statiegeldsysteem.

April 2011: Onderzoeker Thoden van Velzen van Wageningen Biobased Research levert een voortgangsrapportage aan de raad van toezicht van KCN. Het is opgenomen in de sub-theme council van SD001 van Top Institute Food and Nutrition (TIFN)

7 Maart 2012:
Staatssecretaris Atsma van Infrastructuur en Milieu meldt in het Algemeen Overleg Milieu van de Tweede Kamer dat het statiegeldsysteem péperduur is, 6 cent per fles tegenover 1,5 cent per fles via bronscheiding. Uit vragen van Tweede-Kamerleden naar de bron van deze cijfers, komt naar voren dat het om de voortgangsrapportage uit april 2011 gaat. Buiten medeweten van de onderzoekers en WUR was dit  bij de ambtenaren van de Staatssecretaris terechtgekomen.

13  maart 2012:
Thoden van Velzen wordt door een Trouwjournalist geïnterviewd voor een artikel over kunststof hergebruik. Hij bleek als tegenstander van statiegeld te worden neergezet in het uiteindelijke artikel van 21 maart 2012, terwijl hij zich, op basis van zijn onderzoek, louter over verschillende feiten had uitgelaten. Hoewel deze positionering niet correct is, werd besloten om niet te reageren, omdat er verder geen feitelijke onjuistheden in het artikel stonden.

22 maart 2012:
Door een telefoontje, komen de onderzoekers erachter dat de uitspraken van staatsecretaris Atsma tijdens het overleg van 7 maart gedaan zijn op basis van de voortgangsrapportage. Overleg volgt of en hoe te reageren. Een paar dagen later wordt er besloten door de leidinggevenden van de onderzoekers om in plaats van het gelekte concept rapport, een officiële gereviewde versie van het document uit te brengen.

26 maart 2012: Ook wordt besloten om een geactualiseerde versie van het rapport te maken én aan de Staatssecretaris aan te bieden als intern gereviewde onderzoekrapportage. Dit gebeurt op 6 april 2012.

27 maart 2014: Tijdens een debat-avond in de Rode Hoed (Amsterdam) wordt een nieuw statiegeld-rapport van CE Delft gepresenteerd, dat onder de streep op een heel ander (lager) bedrag voor het statiegeldsysteem uitkomt dan de WUR rapportage. De rapportage is in opdracht van Tomra Systems gemaakt. In dit rapport worden de uitkomsten van het WUR onderzoek in twijfel getrokken. De staatssecretaris wil weten hoe de verschillen tot stand zijn gekomen en vraagt TNO om een vergelijkende analyse te maken van de rapporten. TNO komt tot de conclusie dat CE Delft van andere, actuelere,  ingangsgetallen gebruik maakt, maar meldt dat het WUR rapport een transparantere opbouw van de kosten heeft, en helder verwoord wat de gebruikte bandbreedtes zijn. Er is geen reden om te twijfelen aan de uitkomsten van het WUR onderzoek.  Op de site van WUR worden de verschillen besproken en wordt de aanpak in het rapport toegelicht.

7 april 2014:
Er worden 14 klachten  tegen de onderzoekers ingediend door Tomra Systems, Stichting Ons Statiegeld en Recycling Netwerk. De klachten worden behandeld door de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI) van WUR.  Dat is een mogelijkheid die wordt geboden in  het integriteitsreglement dat voor alle onderzoekers van WUR geldt.  Vanaf het moment dat een klacht in behandeling wordt genomen wordt van partijen verwacht dat men geheimhouding in acht neemt totdat de procedure in zijn geheel is afgerond. Deze plicht is er om de reputatie van onderzoekers te beschermen zolang er geen sprake is van vastgestelde schending van wetenschappelijke integriteit.

5 augustus 2014:
De CWI oordeelt dat slechts 2 klachten ontvankelijk en tevens ongegrond zijn. De overige 12 klachten zijn niet ontvankelijk.  Het college van bestuur van Wageningen Rersearch neemt het advies over en neemt een – voor beroep ontvankelijk – voorlopig besluit.
7 november 2014 klagers dienen een herzieningsverzoek in  bij het LOWI..

5 maart 2015: Het LOWI vindt de argumentatie van de CWI te weinig onderbouw. De CWI neemt de zaak opnieuw in behandeling. 

5 november  2015:
Nog voordat CWI uitspraak heeft gedaan,  mailt een journalist van Trouw  met de WUR woordvoerder met de mededeling dat hij anoniem een dossier met memo’e en mails uit 2012 heeft gekregen heeft gekregen.  De woordvoerder laat weten dat  de geheimhoudingsplicht nog geldt en er niet gereageerd mag worden. Het lijkt te gaan om stukken die daags ervoor door CWI beschikbaar gesteld zijn aan de advocaat van de klagende partijen.  Of de journalist het volledige dossier, inclusief de verweerschriften van de onderzoekers en het conceptadvies , heeft ontvangen blijft tot op de dag van vandaag onduidelijk. Hierover wilde de journalist desgevraagd geen openheid van zaken geven. Onderzoekers in een CWI en/of LOWI procedure uiteraard wel. Er is daarna nog een aantal keer telefonisch contact met Trouw geweest, waarbij steeds nadrukkelijk is aangegeven dat hangende de procedure, helaas geen toelichting of commentaar gegeven kan worden.

1 december 2015: De CWI komt met een aanvullende motivatie en het advies: 1 klacht niet-ontvankelijk, de overige klachten wel ontvankelijk maar alle ongegrond. De CWI oordeelt streng over een aantal procedurele onzorgvuldigheden, met name waar het gaat om het weglaten van de financiers in het rapport. Hierop worden de rapportage-templates en procedures bij alle onderdelen van WUR aangescherpt.
14 december 2015 Het College van Bestuur neemt het advies over in een voorlopig – voor beroep ontvankelijk - besluit. Er gaat een beroepstermijn van 6 weken in.

26 januari 2016:
De klagers dienen een herzieningsverzoek in bij het  LOWI.

27 januari 2016:
Er verschijnt een artikel in Trouw, waarin wordt geciteerd uit vertrouwelijke documenten van de klachtenprocedure. Het verweerschrift van de onderzoekers dat geciteerde feiten weerlegt wordt niet geciteerd.  De suggestie wordt gewekt dat er gestuurd onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de onderzoekers zich door het Ministerie onder grote druk hebben laten zetten. Dat de CWI de onderzoekers heeft vrijgepleit wordt niet gemeld. Wederom vanwege de geheimhoudingsplicht kunnen WUR en de onderzoekers niet reageren. Wel is een kort bericht op de Wageningen UR website geplaatst met verwijzing naar het advies van de CWI dat de onderzoekers geen integriteitsschending valt te verwijten, en dat de zaak nog loopt.

22 maart 2016: Trouw meldt dat de minister van I&M zich intensief met het rapport zou hebben bemoeid. De minister en WUR weerspreken de kritiek: het betreffende rapport is volledig onder verantwoordelijkheid van de onderzoekers geproduceerd. 

20 mei 2016: Tomra Systems en Stichting Ons Statiegeld leggen zich neer bij het aanvankelijk oordeel van het college van bestuur op basis van het advies van de CWI en trekken zich terug uit de klachtenprocedure. Recycling Netwerk zet het herzieningsverzoek door.

28 september 2016: Een week voor de hoorzittingen van LOWI, vindt de WNL TV uitzending “Haagse Lobby – dossier statiegeld” plaats waarin de Trouwjournalist de uitspraak doet: “Ik heb de aanbestedingsbrief onder ogen gehad. En daar staat al in dat de voorlopige conclusie moet zijn dat statiegeld een te duur systeem is.”

26 oktober 2016:
Vanwege de evidente onjuistheid van deze uitspraak, en de schadelijke suggestie dat onderzoeksresultaten zouden kunnen worden overeengekomen, besluit WUR een kort geding aan te spannen tegen de journalist en Trouw rectificatie af te dwingen. 

7 november 2016: Het kort geding dient in Amsterdam
18 november het advies van LOWI, bevestigt het eerder advies van de CWI: er is géén sprake van integriteitsschending door de onderzoekers. De onzorgvuldigheid t.a.v. het niet vermelden van de financiers is verwijtbaar, maar LOWI constateert ook dat er maatregelen zijn genomen om zulks in de toekomst binnen WUR te voorkomen.

21 november 2016:
Het vonnis in het kort geding door de voorzieningenrechter wordt bekend. De eis tot rectificatie wordt afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat de journalist strikt genomen het woord aanbestedingsbrief ten onrechte in de mond heeft genomen. De voorzieningenrechter oordeelt hiermee niet dat in dit geval daadwerkelijk sprake was van gestuurd onderzoek, maar wel dat voor een beperking van de uitingsvrijheid van de journalist in de gegeven omstandigheden geen grond bestaat. De rechter baseert dit op het feit dat de Trouwjournalist een mening verkondigde. Opmerkelijk is ook dat de rechter het in acht nemen van de vertrouwelijkheid tijdens de integriteitsprocedure waardoor Trouw inhoudelijk niet te woord wordt gestaan, aan de risicosfeer van WUR toeschrijft. Het college van bestuur van Wageningen Research besluit evenwel  niet in beroep te gaan tegen het vonnis.

28 november 2016: Het college van bestuur van stichting Wageningen Research besluit et advies van het LOWI over te nemen

  •  “Het CvB van de stichting Wageningen Research neemt het advies van het LOWI over en besluit definitief tot ongegrondverklaring van de klachtonderdelen 2 t/m 14 en niet-ontvankelijkheid van klachtonderdeel 1, en stelt hiermee vast dat er geen sprake is van schending van wetenschappelijke integriteit door de onderzoekers (beklaagden).
  • Het CvB van WR neemt kennis van het oordeel van het LOWI dat het niet noemen van de opdrachtgevers en externe financiers in de rapporten (klachtonderdeel 2) niet slechts slordige rapportage is, maar verwijtbare onzorgvuldigheid en tekent daarbij aan dat ter voorkoming daarvan de interne processen, ook waar het de conceptfase van rapporten betreft, inmiddels zijn aangescherpt.
  • Het CvB van WR neemt met instemming kennis van het oordeel van het LOWI dat gemachtigde van klagers de op hem rustende geheimhoudingsplicht van artikel 10 LOWI-Reglement heeft geschonden.”

Waar zijn de verschillen in de uitkomst aan toe te schrijven?

  • De prijs van de ingezamelde PET-flessen is sterk gestegen sinds de periode 2009 - 2011 toen het onderzoek door Wageningen University & Research werd uitgevoerd en de resultaten ervan vervolgens in 2012 openbaar werden gemaakt. Deze prijsstijging is ontstaan doordat bepaalde partijen op t dat moment massaal PET-flessen gingen inkopen. Er is daardoor zelfs een tekort op de Nederlandse markt ontstaan; er worden PET-flessen geïmporteerd om aan de vraag te voldoen. Dit wordt mede veroorzaakt doordat er meer toepassingsmogelijkheden zijn voor het PET-afval, maar ook omdat daarbij de industriële infrastructuur in Nederland beter is gericht op de in input van statiegeldflessen. Deze hoge prijs heeft een directe invloed op de uitkomst van de berekeningen van CE Delft. De vraag die beleidsmatig gesteld moet worden is of deze prijzen op dit niveau blijven of dat er sprake is van een tijdelijke piek. De opkomst van bioplastics kan bijvoorbeeld leiden tot een afname van de vraag naar PET-flessen. CE Delft heeft de momentopname meegenomen als een zekerheid voor de lange termijn en daar kunnen vraagtekens bij worden gezet, maar het is op zich correct dat deze aanname een positieve uitwerking heeft op de kosten voor het statiegeldsysteem. De markt voor PET-flessen is ongeveer 25 kTon groot en is precies de benodigde input voor een recyclingbedrijf. De kleine markt voor PET-flessen maakt deze uiterst gevoelig voor allerlei verstoringen. Een partij in de markt kan gemakkelijk een heel groot deel van het aanbod aan PET-afval opkopen, waardoor er een schaarste op de markt ontstaat en de prijs omhoog gaat. Dat lijkt op dit moment de situatie. Opgemerkt moet worden dat er geen openbare bron is voor de prijs van PET-statiegeldflessen. Deze prijs is alleen bij de betrokkenen bekend. Als onderzoeker bevraag je de kopende en de verkopende partijen om een schatting van deze prijs te maken. Dat heeft Wageningen University & Research in 2010 en 2011 gedaan. Over de aanpalende markt van Belgische PET-flessen uit het bronscheidingssysteem van Fost-Plus is wel openbare prijsinformatie beschikbaar. Hieruit blijkt dat er juist in de periode 2010-2012 een prijsontwikkeling heeft plaatsgevonden van 200 euro/ton naar 550 euro/ton.
  • De vierkante meterprijs die CE Delft hanteert, heeft zeker een positief effect op de kosten van het statiegeldsysteem. De lagere prijs kan ook een effect zijn van de huidige economische omstandigheden, maar dat kunnen we op dit moment niet beoordelen. Indertijd is een een inschatting gemaakt door economen van het Wageningen Economic Research. De door Wageningen University & Research gehanteerde prijs van €250 is gebaseerd op de huurprijs, inclusief de aansluiting aan elektra, water etc. De door ons gehanteerde bedragen zijn vermeld in de tabel in het rapport. CE Delft gaat uit van €137.
  • Dat CE Delft de bedrijven Aldi en Lidl in het onderzoek apart meeneemt, is op zich terecht. Beide bedrijven nemen in Nederland alleen flessen van hun huismerken in en hebben daardoor niet te maken met het ingewikkelde statiegeldsysteem om tussen verschillende retailers de ontvangen en betaalde statiegelden te verrekenen. Als de retailers alleen huismerken zouden verkopen en innemen ontstaat een geheel nieuwe situatie, maar het ziet er niet naar uit dat dat dit een realistische scenario is.
  • Het lijkt erop dat CE Delft een deel van de kosten voor het statiegeldsysteem onevenredig zwaar toerekent aan de glasemballages. CE Delft hanteert een verdeling van 31%:69% voor PET, omdat een inname-apparaat drie ‘gaten’ heeft: twee voor flessen en een voor kratten. Dat dat leidt tot de statiegeldstroom van 1/3-2/3 is een aanname die niet wordt hard gemaakt en die lijkt uit te gaan van de wens tot behoud van statiegeld voor PET-afval. Wageningen University & Research blijft bij de aanname dat het grosso modo fifty-fifty is.

Zienswijze

Het Wageningen University & Research-rapport beschrijft de kosten van het statiegeldsysteem, terwijl CE Delft er voor kiest om inzichtelijk te maken hoe de kosten uitpakken als de verplichting tot het voeren van een statiegeldsysteem zou worden afgeschaft. Uiteraard leidt een dergelijk ander perspectief tot andere kostenallocaties. Wageningen University & Research anticipeerde destijds al op deze discussie (paragraaf 4.1.2 van het Wageningen University & Research-rapport). CE Delft volgt de genoemde veranderpunten deels wel en deels niet. CE Delft gaat voorbij aan de synergievoordelen die een eventuele samenvoeging van het Plastic Heroes systeem met het statiegeldsysteem zou kunnen bieden: voor de scheidende burgers thuis (1 bak of zak versus 2 verschillende), voor de belading van de inzamelvoertuigen, voor de waarde van de gesorteerde fracties. Hierdoor zullen de specifieke kosten van een samengevoegd systeem lager gaan uitpakken dan die van het huidige Plastic Heroes systeem. Dit heeft CE Delft echter niet in ogenschouw genomen.

Zekerheid van de uitkomsten

CE Delft presenteert de uitkomsten als vaststaande feiten en gaat er aan voorbij dat er in hun berekening ook veronderstellingen, en onzekerheden zitten. Het zou hen sieren die –net als wij dat destijds deden- uitgebreid te bespreken. Dit gebrek aan nuance verlaagt de statuur van het CE-Delft rapport. Het oorspronkelijke rapport van Wageningen University & Research geeft bovendien een bandbreedte aan van de totale kosten. In een dergelijke berekening is het onvermijdelijk om aannames te doen over de bijdragen van verschillende onderdelen in de innameketen aan de totale kosten en over de hoogte ervan. De bandbreedte van de totale kosten in het oorspronkelijke rapport ligt tussen 25 en 45 miljoen euro. Het rapport van CE noemt geen bandbreedte, en vergelijkt de uitkomst alleen met het hoogste bedrag in het rapport van Wageningen University & Research.

Mening Wageningen University & Research

CE Delft heeft in zijn onderzoek het model gevolgd dat op verzoek van diverse ketenpartijen destijds is ontwikkeld door Wageningen University & Research. Met de door CE Delft gemaakte keuzes levert het model deze uitkomsten op. Onze kanttekeningen beschreven we hierboven. Wat ons opvalt aan de discussie is dat de illusie wordt gewekt dat bij het wegvallen van het statiegeldsysteem voor PET-flessen Nederland zal worden overstroomd door zwerfafval. Dit moet wat worden genuanceerd; de grote PET-flessen maken niet meer dan 5,5 procent uit van de 450 kton jaarlijks in Nederlands gebruikte kunststofverpakkingen.

Het plastic-afvalvraagstuk heeft alle aandacht van Wageningse onderzoeksgroepen. Wageningen University & Research doet via een groot aantal samenhangende projecten en programma’s onderzoek naar integrale oplossingen om afval terug te dringen en om de gehele verpakkingsketen te verduurzamen. Er zijn tal van interessante perspectieven die in onze rapporten op deze website worden toegelicht.

Toelichting 22 maart 2016

In een artikel in Trouw van 22 maart 2016 wordt, naar aanleiding van een brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur & Milieu van 22 maart 2016, geschreven dat het Ministerie Infrastructuur & Milieu zich in 2012 actief zou hebben bemoeid met de inhoud van een rapport van Wageningen University & Research over een onderzoek gericht op modelmatige beschrijving van massastromen en totale systeemkosten van het Nederlandse statiegeldsysteem. Dit bericht zou de indruk kunnen wekken dat het ministerie de inhoud van het rapport (ten dele) zou hebben bepaald en dit ten koste zou zijn gegaan van de onafhankelijkheid van de onderzoekers. Daarvan is nimmer sprake geweest.

Letterlijk schrijft de staatssecretaris:
"Het ministerie van IenM heeft vervolgens contact gehad met de onderzoekers van Wageningen University & Research over de optie om naast de gehanteerde bedrijfsmatige kosten ook een kostenberekening van het statiegeldsysteem vanuit algemeen maatschappelijk perspectief op te nemen. Een vanuit overheidsperspectief gebruikelijke benaderingswijze.
Doel van het contact met Wageningen University & Research was, om een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van de kosten van het statiegeldsysteem."

Suggesties door stakeholders zijn door de onderzoekers op basis van relevantie beoordeeld en gewogen. Onderzoekers hebben vervolgens vrij en onafhankelijk zelf beslissingen genomen om de suggesties wel of niet te verwerken in de alsnog openbaar te maken definitieve versie van het rapport. Dit is verantwoord in de inleiding van het definitieve rapport van 6 april 2012. Dat onderzoekers in dit kader onder andere met een ambtenaar van het Ministerie I&M hebben gesproken is in het rapport ook vermeld.

Het artikel in Trouw vermeldt daarnaast ten onrechte dat in de voortgangsrapportage van onderzoekers zou staan dat "de kosten van het statiegeldsysteem fors zijn". Die conclusie staat niet in deze rapportage.
Het artikel in Trouw vermeldt ook ten onrechte dat de opdrachtgever voor het onderzoek de verpakkingsindustrie zou zijn. Dat is niet juist: opdrachtgevers waren de Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie en het Centraal Bureau Levensmiddelen.