Nieuws

Internationale samenwerking om agrobiodiversiteit veilig te stellen

Published on
4 december 2023

Het CGN staat voor de taak om de collectie plantenzaden in tien jaar te verdubbelen. Mede daarom zoekt het CGN samenwerking met andere landen. Recent zijn dat Albanië en Noord-Macedonië, maar er volgen er nog meer. Het zijn samenwerkingen met wederzijdse voordelen.

De Nederlandse genenbank is van oudsher gericht op essentiële accessies van (oude) rassen en wilde gewasgerelateerde plantensoorten. Vanwege het hoge kostenniveau in ons land is de collectie in omvang beperkt gehouden. Desondanks is het CGN wel een grote verspreider van met name groentezaden naar gebruikers in de hele wereld.

Maar de wereld verandert. Internationaal neemt de toegang tot belangrijke oorsprongsgebieden van wilde verwanten van onze groenten af. Tegelijkertijd zijn ruime genetische bronnen essentieel om goed in te kunnen spelen op klimaatverandering en duurzamere teeltmethoden.

Om die redenen staat in het nieuwe programma van de Wettelijke Onderzoekstaak (WOT) Genetische Bronnen dat het CGN haar collectie sterk moet uitbreiden. Een manier om dat te bereiken is internationale samenwerking.

Albanië en Noord-Macedonië

“We hebben een enquête gehouden onder onze gebruikers, voornamelijk plantenveredelaars, met de vraag welke uitbreidingen zij belangrijk vinden. Op basis daarvan hebben we gekeken waar mogelijkheden liggen, vooral op basis van bestaande contacten”, vertelt Theo van Hintum, hoofd CGN-Plant.

Het eerste resultaat betreft verzamelmissies in Noord-Macedonië en Albanië, waar een schat aan landrassen en wilde varianten uit voortgekomen is.

“Het is een regio met een enorme diversiteit aan gewassen”, vertelt hoofdcurator Rik Lievers, die de missies leidde. “In Albanië hebben we wilde sla- en koolsoorten verzameld, en verder wilde verwanten van witlof, peen, prei, venkel en strandbiet. Ook heeft de missie veel landrassen van tomaat, paprika, meloen, komkommer, aubergine en bonen opgeleverd. In Noord-Macedonië lag de focus op pepers.”

De verzameling is slechts het startpunt. “Je kunt maar relatief weinig zaden verzamelen, dus daarna volgt een traject van vermeerdering. Daar helpen veredelaars en tuinders bij. Vervolgens worden de zaden verdeeld over de genenbank in het oorsprongsland en die van ons”, zegt Lievers. Nederland financiert de vermeerdering en de beschrijving van de accessies.

Twinning

De verzamelmissies vinden plaats samen met genenbanken en onderzoekers in beide landen. Maar de samenwerking onder de noemer ‘twinning’ gaat verder dan louter verzamelen, vertelt Van Hintum. “Het gaat in die landen om relatief kleine genenbanken. CGN helpt hen om de genetische diversiteit in hun land beter te conserveren. Dat gebeurt door gezamenlijke missies te organiseren en door mensen hier in Nederland op te leiden. Zo werk je aan capaciteitsopbouw. In ruil daarvoor krijgen wij toegang tot de genetische bronnen in die landen. We krijgen een deel van het verzamelde zaad, laten dat vermeerderen en maken het toegankelijk voor belangstellenden. Zo is er dus wederzijds voordeel.”

De kosten liggen in deze Balkanlanden beduidend lager dan in Nederland. Ook dat maakt samenwerking aantrekkelijk: vermeerdering en opslag zijn goedkoper minder dan in Nederland. “Dat vergt wel dat ze voldoen aan internationale kwaliteitsprotocollen”, zegt Van Hintum. “Daarom geven we hun medewerkers hier bijscholing in het runnen van een moderne genenbank en adviseren we over verdere uitbouw”.

Hij gaat in december als consultant naar Albanië om te helpen bij een plan voor conservering van de nationale biodiversiteit. “Daarvoor is het nodig om een beeld van de uitgangssituatie te krijgen. Hoe worden de zaden gedroogd, verpakt en opgeslagen? Wat is de juridische status? Hoe wordt de kwaliteit van het zaad gemonitord? Hoe ziet de documentatie eruit? Welke faciliteiten zijn nodig? Hoe breidt je de collectie uit?”

Klimaatverandering

Albanië is voor een groot deel niet bemonsterd. “Maar het is heel belangrijk dat dat wel gebeurt”, zegt hij. “Door klimaatverandering dreigt veel agrobiodiversiteit verloren te gaan. Dat moet je zien te conserveren. Verder is het belangrijk om het materiaal beschikbaar te maken voor de gebruikers. Ook hierbij speelt klimaatverandering een rol. De veredelaars hebben behoefte aan ruimere genencollecties om nieuwe robuuste rassen te kunnen maken.”

Daarnaast is er het doel op de langere termijn: conservering van biodiversiteit voor de toekomstige generaties. Het is belangrijk dat de genetische rijkdom in deze landen niet verloren gaat. “We moeten veel meer internationaal gaan denken”, benadrukt Van Hintum.

“Voor ons is de motor van de samenwerking de toegang tot veel meer materiaal, we willen immers onze collectie verdubbelen. Voor andere landen kan dat ook gelden, maar tevens kunnen ze profiteren van capaciteitsopbouw. De samenwerking is gericht op de conservering van nationale agrobiodiversiteit en op het toegankelijk maken voor gebruik.”