Bestrijding van BSE

In Nederland is in de loop der jaren een steeds uitgebreider pakket van maatregelen ingevoerd tegen BSE. Deze maatregelen moeten aan de ene kant zorgen voor veilig voedsel, maar zijn zeker ook gericht op het uitroeien van de ziekte.



De volgende maatregelen zijn van kracht:

Het opsporen en testen van zieke en verdachte runderen (passieve surveillance)

Eigenaren en dierenartsen zijn verplicht aangifte te doen bij de overheid als een rund verschijnselen vertoont die zouden kunnen duiden op BSE. Na aangifte wordt de verdachte koe afgevoerd van de boerderij en onderzocht op BSE. Als uit de resultaten blijkt dat de verdachte koe inderdaad besmet was met BSE worden alle koeien van de boerderij waarvan de besmette koe afkomstig was, gedood en verbrand. Aangezien het stellen van de diagnose BSE erg moeilijk is voor boeren en artsen zonder ervaring met BSE is in de loop van de jaren negentig op allerlei manieren aan voorlichting gedaan. Daardoor verwachten we dat het effect van deze maatregel geleidelijk aan is toegenomen.

Een onderzoek van alle slachtrunderen voorafgaande aan de slacht

Ieder rund dat ter slacht wordt aangeboden, wordt gekeurd vóór de slacht. Dit is een algemene maatregel, die al zeer lang bestaat. Deze maatregel is niet alleen gericht op het opsporen van BSE, maar wordt uitgevoerd om te voorkomen dat zieke runderen worden geslacht. Hierbij wordt gelet op alle mogelijke ziekteverschijnselen.

Het verplicht verwijderen en vernietigen van risico-organen bij de slacht

De BSE-prionen, de ziekteverwekkers van BSE, komen niet in het gehele lichaam van een rund voor maar bevinden zich vooral in hersenen, ruggenmerg en enkele andere organen met veel zenuwcellen. De risico-organen worden bij de slacht van runderen, schapen en geiten verwijderd en verbrand. De risico-organen zijn: hersenen en hersenmerg, ruggenmerg, ogen, amandelen en darmen. Bij alle schapen en geiten wordt ook de milt verwijderd. Sinds 1997 is het verwijderen van deze organen verplicht in Nederland. Sinds 1 oktober 2000 geldt deze verplichting in alle Europese lidstaten. Een aantal lidstaten heeft de maatregelen in 1998 ingevoerd.

Een verbod op het voederen van diermeel aan landbouwhuisdieren

Men gaat ervan uit dat diermeel de belangrijkste besmettingsbron is voor BSE. Door deze besmettingsbron weg te nemen, kan de ziekte worden uitgeroeid. Sinds 1994 mag daarom geen diermeel van zoogdieren meer worden verwerkt in veevoer voor herkauwers. Vanaf 1 januari 2001 is het voorlopig ook verboden om diermeel te voeren aan varkens, kippen en andere dieren, die worden gehouden voor de voedselproductie. In de praktijk blijkt dat de uitvoering van een verbod op voeren van diermeel toch niet perfect werkt. Via een aantal verschillende routes komt er toch per ongeluk diermeel in het voer voor runderen terecht, maar dankzij het voerderverbod is dat toch 10 tot 100 maal minder dan voorheen, waardoor de infectiedruk dus ook met een factor 10 tot 100 afneemt.

Het testen van alle slachtrunderen die ouder zijn dan 30 maanden (actieve surveillance)

Vanaf 1 januari 2001 moesten alle slachtrunderen ouder dan 30 maanden worden getest op BSE. Het testen van jongere dieren is niet zinvol, omdat door de lange incubatietijd de infectie bij zulke jonge dieren niet detecteerbaar is. De uitvoering van de test vindt sinds begin 2002 plaats bij private laboratoria. Het Central Veterinary Institute (CVI) is referentielab. Zie voor meer informatie het onderdeel BSE-testen.

Gezien de gunstige BSE situatie in vele Europese lidstaten, is vanaf 1 januari 2009 het actieve bewakingssysteem aangepast. Vanaf die datum werden in de oorspronkelijke 15 Europese lidstaten alleen nog dieren ouder dan 48 maanden getest (België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk en Zweden), tenzij het dier is geïmporteerd vanuit andere landen dan deze 15. In 2011 is de leeftijdsgrens nog opgetrokken naar 72 maanden maar voor landen met een verwaarloosbaar BSE-risico is de verplichting om slachtrunderen te testen later helemaal komen te vervallen.

Controle op het verbod van het voederen van diermeel

Regelmatig wordt gecontroleerd of veevoer inderdaad geen verboden diermeel bevat. Deze controle was tot voor kort vooral gericht op mogelijke kruisbesmetting van voer voor runderen, door bijvoorbeeld verwisselen van verschillende eiwitsoorten, fouten bij etikettering, achterblijven van restanten diermeel in de productielijn uit een eerder geproduceerd voer dat wel diermeel mag bevatten.

Een importverbod van runderen uit risico-gebieden

De invoer van runderen uit Groot Brittannië is begin 1990 gestopt (richtlijn 90/59/EEG), met een uitzondering van kalveren die dan op een leeftijd onder 6 maanden geslacht moeten worden. Deze kalverimport is in 1996 stopgezet.

Destructiemaatregelen

In het destructieproces worden alle slachtbijproducten gesteriliseerd en verwerkt tot restproducten als dierlijk vet en dierlijk eiwit (diermeel). Dit proces kan onder verschillende temperatuur- en drukcondities worden uitgevoerd. Afhankelijk hiervan wordt de ziekteverwekker van BSE meer of minder goed afgedood. In Nederland wordt al sinds de jaren zeventig een destructieproces uitgevoerd, waarbij het materiaal gedurende minimaal 20 minuten wordt verhit op 133 graden Celsius, bij een druk van 3 bar. Dit is een zeer efficiënt proces voor de afdoding van de BSE-ziekteverwekker, in tegenstelling tot een destructieproces waarbij wordt verhit gedurende 60 minuten bij 100 graden Celsius (geen druk), hetgeen in andere Europese landen gebruikelijk was. Het eerstgenoemde proces, 133 graden, leidt tot een duizendvoudige afname van de infectueusiteit van het geproduceerde diermeel, in het tweede proces, koken zonder druk, is de afname van de infectueusiteit waarschijnlijk slechts een factor tien.

SRM (specifiek risicomateriaal) is materiaal dat een risico van TSE-besmetting in zich draagt. Tot SRM behoren alle kadavers van runderen, ouder dan 1 jaar, en alle kadavers van geiten(lammeren) en schapen(lammeren). Ook behoren hiertoe de risico-organen van runderen, schapen en geiten. Het is verboden SRM te gebruiken. Alle SRM wordt verbrand. Door deze maatregelen wordt 99,9% van de infectiedruk van eventuele zieke dieren weggenomen. Hoeveel infectueusiteit er precies op het vlees van een kadaver achter kan blijven, is onduidelijk en hangt zeker ook af van de slachthygiëne. Door de SRM-maatregelen is in Nederland sinds 1997 - toen de SRM- maatregelen werden ingevoerd - de kans dat mensen met Creutzfeldt-Jakob worden besmet sterk afgenomen.

Sinds 1 januari 2001 zijn ook alle afgekeurde dierlijke producten en kadavers van alle dieren SRM, en moeten ze worden verbrand. Dit betekent dat verwerking tot diervoeder niet meer mogelijk is in Nederland.

Gedeeltelijke ruiming van bedrijven na een bevestigd geval van BSE

Tot 19 juli 2001 werden op een bedrijf waar BSE was vastgesteld alle herkauwers geruimd, en tevens alle risicodieren die zich inmiddels op andere bedrijven bevonden (de nakomelingen van het BSE-rund die jonger zijn dan 2 jaar, het voedercohort en het geboortecohort van het BSE-rund).

Vanaf 19 juli 2001 is het ruimen beperkt tot de groep risicodieren. De overige runderen en andere herkauwers hoeven niet meer worden geruimd. De dieren die worden getraceerd behoren tot:

  • de familiegroep, alle dochters van het besmette rund;
  • het geboortecohort; dit zijn de runderen die in dezelfde periode zijn geboren op het bedrijf waar het zieke rund is geboren;
  • en het voedercohort; dit de runderen die tijdens het eerste levensjaar samen met het rund met BSE zijn opgefokt en mogelijk hetzelfde voeder hebben gehad als het zieke rund.

De betreffende runderen worden ook geruimd als zij niet meer aanwezig zijn op het bedrijf waar BSE is geconstateerd. De groep runderen waar het hier om gaat, wordt bepaald door de geboortedatum van het rund met BSE en door het bedrijf waar het dier is geboren en vervolgens heeft verbleven. Het geboorte- en voedercohort wordt met evenveel maanden verlengd als het rund ouder is dan vijf jaar.