Belangrijke vragen over Afrikaanse varkenspest (AVP)

Veelgestelde vragen over Afrikaanse varkenspest

Op deze pagina vindt u enkele veelgestelde vragen en bijbehorende antwoorden over Afrikaanse varkenspest (AVP). Zoals over de rol van wilde zwijnen en teken. Of over de kans dat het virus naar Nederland komt en wat voor gevolgen dat zou hebben.

Vragen en antwoorden

Wat is de rol van wilde zwijnen?

Kort antwoord:
Wilde zwijnen kunnen besmet raken met AVP virus. In het verleden wees alles erop dat ze een ondergeschikte rol spelen in de verspreiding van het virus. Recent zien we echter steeds meer circulatie van het virus bij wilde zwijnen en lijkt het erop dat wilde zwijnen een belangrijke rol spelen in de virusverspreiding en als virusreservoir kunnen dienen.

Uitgebreid antwoord:
Er worden in Rusland regelmatig besmette wilde zwijnen gevonden, en ook in Polen en de Baltische staten gaat het voornamelijk om besmette wilde zwijnen. Besmette gehouden varkens komen hier in verhouding minder vaak voor.

De rol van wilde zwijnen hangt vermoedelijk van veel factoren af. Denk aan dichtheid van wilde zwijnen, omvang van de populatie, mogelijke interactie met gehouden varkens en jagers, maar ook bijvoorbeeld effectiviteit van de bestrijding bij gehouden varkens, enzovoort. Het is dus aannemelijk dat de rol van wilde zwijnen van regio tot regio kan verschillen. Waar in de ene regio wilde zwijnen vooral het slachtoffer zijn van viruscirculatie bij gehouden varkens, kan het elders precies andersom zijn: een wilde zwijnen populatie waar gedurende langere tijd het virus kan circuleren (virusreservoir), en die af en toe fungeren als bron van besmetting voor gehouden varkens. Het is op dit moment niet duidelijk welke factoren bepalend zijn voor een meer of minder grote rol van wilde zwijnen bij de verspreiding van het Afrikaanse varkenspest-virus.

Wat is de rol van teken en eventuele andere tussengastheren?

Kort antwoord: Die rol is er vrijwel zeker niet. Er zijn enkele soorten teken die onder heel specifieke omstandigheden bijdragen aan de verspreiding van het virus, maar daar zijn in Rusland en de omringende landen helemaal geen aanwijzingen voor.

Uitgebreid antwoord: Regelmatig duiken berichten op over de gevaren van teken en soms ook andere tussengastheren voor het verspreiden van het virus.

In Litouwen werd zelfs gewag gemaakt van vogels en hun mijten die in het voorjaar zouden kunnen gaan zorgen voor een snelle verspreiding van het virus. Dit is dan een duidelijk voorbeeld uit de categorie fabeltjes.

In Afrika spelen teken (maar alleen zachte teken van de soort Ornithodorus moubata!) een cruciale rol in de cyclus van het virus tussen wrattenzwijn en teek. Zonder deze teek zou het virus zich ook in Afrika vrijwel zeker niet kunnen handhaven in het wild.

Een andere zachte teek (Ornithodorus erraticus) speelde een (kleine) rol in de periode dat AVP endemisch was in Spanje en Portugal. In dit geval ging het heel specifiek om besmette teken die achterbleven op geruimde bedrijfjes. Bij herbevolking werden de varkens dan weer opnieuw besmet door de teken. Behalve deze twee hele specifieke mechanismen spelen teken geen rol van betekenis bij de verspreiding van AVP.

Ooit is van de stalvlieg (Stomoxzacys calcitrans) aangetoond dat deze gedurende twee dagen het virus passief kan verspreiden. Dit is onder experimentele omstandigheden aangetoond en het is zeer onwaarschijnlijk dat dit een relevante verspreidingsroute in de praktijk is. Alle andere verhalen over mogelijke verspreiding door tussengastheren zijn nergens op gebaseerd.

Wat is de kans dat we Afrikaanse varkenspest in Nederland krijgen?

Kort antwoord: Deze kans is momenteel uitermate klein, maar kan uiteraard niet 100% worden uitgesloten. Vergelijk het maar met het winnen van een hoofdprijs in de staatsloterij. De grootste kans is waarschijnlijk nog via het (per ongeluk) in contact komen van wilde zwijnen of gehouden varkens met besmette varkensproducten (bijvoorbeeld vlees zoals salami of gedroogde worst).

Uitgebreid antwoord: Op dit moment is er voor Nederland nauwelijks sprake van een verhoogde kans op insleep van AVP virus. 

Hoe zit dat voor de verschillende mogelijke introductieroutes?

  • Wilde zwijnen: Verwaarloosbaar. Zonder interactie met gehouden varkens zal het virus zich niet handhaven in een wilde zwijnen populatie en dooft het vuurtje al snel uit (als het vuurtje sowieso al aan gaat, zoals de ervaring in Litouwen en Polen laat zien). Wilde zwijnen lopen ook geen 2000 kilometer naar Nederland. Zeker niet als ze Afrikaanse varkenspest hebben! Blijft over: Nederlandse jagers die actief zijn in besmette regio’s en vlees van een besmet wild zwijn meenemen en dat hier in Nederland aan varkens voeren. Niet echt waarschijnlijk te noemen.
  • Direct, via transporten van besmette gehouden varkens: Verwaarloosbaar. Er zijn normaal geen transporten van levende varkens in deze richting.
  • Indirect, bv via transportwagens of mensen: Zeer klein tot verwaarloosbaar. Indirecte transmissie is voor het AVP-virus al veel moeilijker dan voor het klassieke-varkenspestvirus. Momenteel is de kans vrijwel 0 dat een transportwagen in Litouwen of Polen in contact komt met het virus, laat staan dat aan alle andere voorwaarden daarna kan worden voldaan om dat virus uiteindelijk in een Nederlands varken te krijgen. Pas als er op grote schaal infecties bij gehouden varkens gaan plaatsvinden, zal deze kans wat gaan toenemen.
  • Voeren van keukenafval: Zeer klein. Officiële importen van varkensvlees uit besmette landen is vaak al niet mogelijk om andere redenen, of wordt gestopt zodra AVP is vastgesteld. Wat over blijft zijn 'persoonlijke' importen, waarbij gedacht kan worden aan vrachtwagenchauffeurs op de lange baan, forenzende arbeiders uit getroffen regio’s, jagers en/of toeristen.
    Verder is ook het voeren van keukenafval in Europa verboden. Het is aannemelijk dat professionele varkenshouderijbedrijven zich hier in Nederland ook volledig aan houden. Ook voedsel of voedselresten uit eigen keuken horen niet thuis in de varkensstal, net zo min als voedsel meegebracht door medewerkers, tijdelijke arbeidskrachten of bezoekers.
    Het is onduidelijk hoe dit bij hobbyvarkenshouders wordt nageleefd, maar hobbyvarkenshouders in Nederland zijn niet zo afhankelijk van het voeren van keukenafval als veel kleine boertjes in Rusland en ook nog wel Oost-Europa. Het opzettelijk voeren van keukenafval zal daarom zeldzaam zijn in Nederland. Blijft over het 'per ongeluk' voeren van keukenafval aan varkens en wilde zwijnen. Een achteloos weggegooide boterham met salami op de hei, of op een kinderboerderij, kan dan genoeg zijn. Bovendien zijn wilde zwijnen ook niet vies van een vuilnisbakje of vuilnishoop. Als ze daar toegang toe hebben, hebben ze indirect ook toegang tot keukenafval wat wel netjes is weggegooid. Momenteel is deze kans nog zeer klein, zo niet verwaarloosbaar, maar van alle genoemde introductieroutes zeer waarschijnlijk wel in potentie de belangrijkste.

Voor Nederland zal het risico pas echt gaan toenemen zodra er in de Oost-Europese landen van de EU werkelijk sprake is van het volop circuleren van het virus onder de gehouden varkens. Gelet op de structuur van de varkenshouderij in een aantal Oost-Europese landen, met veel kleinschalige varkenshouderij, is dit geen onmogelijk toekomstbeeld!

Wat wordt er gedaan om Afrikaanse varkenspest snel vast te stellen mocht het in Nederland komen?

Kort antwoord: Er bestaat in Nederland een aangifteplicht van verdachte ziekteverschijnselen bij varkens. Bij zo’n 'verdenking' worden de dieren geïnspecteerd en worden er monsters genomen voor laboratoriumonderzoek. Ook als niet direct gedacht wordt aan Afrikaanse varkenspest, maar wel aan klassieke varkenspest, vindt er standaard laboratoriumonderzoek plaats op AVP.

Uitgebreid antwoord: Theoretisch kan het eerste besmette varken in Nederland zowel een wild zwijn als een gehouden varken zijn. Het snel opsporen van een dergelijk besmet dier is belangrijk om de bestrijding efficiënt te kunnen aanpakken. Het virus waar we het meest beducht voor zijn, en dat nu in Rusland en Oost-Europa circuleert, is een hoog-virulent virus. Besmette dieren gaan vrijwel allemaal snel dood als ze besmet raken. Op een bedrijf met meerdere varkens zal deze sterfte in principe altijd snel opgemerkt worden als verdacht en volgt er nader onderzoek. Dit nader onderzoek omvat ook altijd onderzoek op Afrikaanse varkenspest.

Wilde zwijnen worden in Nederland routinematig gemonitord op het voorkomen van diverse ziekten. Dat gebeurt door het testen van enkele honderden geschoten wilde zwijnen per jaar op antistoffen tegen deze ziekten. Eén van deze ziekten is momenteel ook AVP. Dit onderzoek kan van belang zijn om andere landen ervan te overtuigen dat we in Nederland geen AVP hebben. Het is echter niet geschikt om daarmee snel AVP bij wilde zwijnen op te sporen. Er zijn weinig wilde zwijnen die de infectie overleven en antistoffen aanmaken. In eerste instantie is het met deze monitoring dus zoeken naar een speld in een hele grote hooiberg. En tegen de tijd dat er genoeg wilde zwijnen met antistoffen zijn om enige kans te maken er eentje te vinden, dan ligt de hei intussen al lang bezaaid met dode wilde zwijnen.

Willen we in Nederland een eventuele introductie van het virus bij wilde zwijnen snel opsporen, dan zal de aandacht vooral gericht moeten worden op dood gevonden wilde zwijnen, waarbij dan ook getest wordt op het virus, en niet op antistoffen. Bij het vinden van meerdere dode wilde zwijnen bij elkaar in de buurt is het aangewezen dit te melden bij de NVWA. Het is ook mogelijk dode wilde zwijnen te melden via de website van Dutch Wildlife Health Centre (DWHC).

Wat zijn de gevolgen voor Nederland als we toch Afrikaanse varkenspest krijgen?

Kort antwoord: Zelfs al raakt er maar één varken of wild zwijn in Nederland besmet, dan zijn de consequenties enorm. De schade voor de varkenssector zal nauwelijks te overzien zijn. Deze schade bestaat uit ernstige aantasting van het dierwelzijn, psychosociale schade voor betrokkenen, maar ook grote economische verliezen voor de hele keten.

Uitgebreid antwoord: Bij dieren die besmet raken is sprake van een ernstige aantasting van het welzijn als gevolg van de ziekteverschijnselen. Voor getroffen varkenshouders, hun familie en andere betrokkenen kan een besmetting, gevolgd door ruiming, leiden tot een grote psychosociale impact.
Als AVP in Nederland wordt vastgesteld, verliest Nederland zijn status als 'vrij van Afrikaanse varkenspest'. Dit heeft zowel binnen Europa, maar zeker ook buiten Europa direct gevolgen voor de exportpositie van Nederland. Binnen Europa kan de export mogelijk gedeeltelijk doorgang vinden, zolang de ziekte in Nederland onder controle lijkt. Europese regelgeving is hierin leidend. Landen buiten Europa zullen meestal geen risico willen nemen, en de grenzen voor heel Nederland sluiten. Sommige landen kunnen zelfs overwegen om de grenzen voor de hele EU te sluiten! Rusland heeft dit bv gedaan naar aanleiding van de besmette wilde zwijnen in Litouwen in 2014. Het sluiten van de grenzen kan door deze landen volgehouden worden tot maanden of zelfs jaren nadat Nederland alweer vrij is van AVP.

In Nederland zal de ziekte intussen bestreden worden door stamping out. Besmette bedrijven worden in hun geheel geruimd, mogelijk wordt er preventief geruimd op basis van risico-inschattingen, er zullen vervoersverboden zijn en bedrijven zullen uitgebreid onderzocht worden op het mogelijk besmet zijn met AVP-virus.
Na een succesvolle bestrijding en zodra is aangetoond dat virus werkelijk niet meer in Nederland aanwezig is, zullen de grenzen binnen de EU weer snel opengaan. Derde landen kunnen hun grenzen echter nog jaren gesloten houden voor Nederlandse varkens en varkensproducten.

Hoe moeilijk (of makkelijk) kunnen we Afrikaanse varkenspest in Nederland bestrijden?

Kort antwoord: Alles wijst erop dat Afrikaanse varkenspest onder Nederlandse omstandigheden veel makkelijker te bestrijden zal zijn dan bijvoorbeeld klassieke varkenspest.

Uitgebreid antwoord: Er is nauwelijks ervaring met Afrikaanse varkenspest in een regio met voornamelijk of uitsluitend intensieve varkenshouderij. Toch kan de historie ons veel leren. Ook de kennis van de pathogenese en epidemiologie levert veel informatie op, op basis waarvan redelijk betrouwbaar voorspeld kan worden hoe het virus zich zal gedragen.

Historisch zien we dat AVP vooral een probleem is in de kleinschalige varkenshouderij en dat verspreiding in belangrijke mate plaatsvindt door het voeren van besmet (keuken)afval (swill-voedering). We kunnen verder ook kijken naar twee uitbraken in onze eigen regio: in 1985 in België en in 1986 in Nederland.

Vooral de Belgische uitbraak is daarbij interessant. Op 3 maart 1985 was daar een verdenking van AVP in het meest varkensdichte gebied van België. In een tijdsbestek van 14 dagen werd vervolgens op negen bedrijven AVP vastgesteld. Daarmee had de ziekte snel onder controle kunnen zijn, ware het niet dat een tiende besmette bedrijf gedurende ruim twee maanden detectie wist te ontwijken. De eigenaar van dit bedrijf begroef alle dode varkens, zonder de autoriteiten daarvan op de hoogte te stellen. Pas toen ruim 60% van de varkens dood was, werd de diagnose AVP gesteld. Vanuit dit bedrijf waren inmiddels nog twee andere bedrijven besmet geraakt en eind mei 1985 was de uitbraak dan echt over.

Dat er in een periode van ruim twee maanden waarin dat besmette bedrijf niet gedetecteerd werd uiteindelijk slechts twee andere bedrijven besmet raakten, zegt ook wel iets over de verspreiding van AVP onder omstandigheden van verhoogde waakzaamheid. Oorzaken van alle besmettingen: Het eerste bedrijf door swill-voedering, waarna vijf andere bedrijven besmet werden door het gebruik van eenzelfde injectienaald op verschillende bedrijven en vijf andere door aankoop van besmette biggen. Van slechts één bedrijf kon niet met voldoende zekerheid vastgesteld worden hoe de infectie had plaatsgevonden.

Bij de Nederlandse uitbraak in 1986 raakten in totaal twee bedrijven besmet. Het eerste weer via het voeren van swill, het tweede door menscontact. Dat laatste is helaas niet nauwkeurig beschreven, zodat onduidelijk is of ook hier sprake was van bijvoorbeeld het gebruik van eenzelfde injectienaald. Dit laatste is namelijk een ideale manier voor het AVP virus om zich te verspreiden.

Historisch lijken er dus al weinig redenen om aan te nemen dat AVP onder Nederlandse omstandigheden tot een onbeheersbaar probleem leidt. Swill-voedering en gebruik van eenzelfde injectienaald tussen bedrijven zijn al lang uitgebannen, en ook andere contacten tussen bedrijven zijn sterk verminderd en veiliger geworden. Daarnaast zijn er een aantal intrinsieke eigenschappen van het virus die helpen om het makkelijker te bestrijden dan bijvoorbeeld klassieke varkenspest:

  • Een infectie met het Afrikaanse varkenspestvirus leidt over het algemeen tot heel duidelijke ziekteverschijnselen. Dit geldt zeker ook voor het virus dat in Rusland en Oost-Europa circuleert. Het is dan ook te verwachten dat besmette bedrijven snel herkend worden en dat ze dus weinig tijd hebben om andere bedrijven te besmetten.
  • Indirecte verspreiding van het virus (via bijvoorbeeld mensen, materialen of transportwagens) gaat niet zo makkelijk als voor bijvoorbeeld klassieke varkenspest. Er wordt bij AVP per infectieus dier (veel) minder virus uitgescheiden, en er is veel meer virus nodig om een ander varken te besmetten. De vervoersverboden en hygiënische maatregelen die bij een uitbraak worden genomen, zijn daardoor naar verwachting behoorlijk effectief om virusverspreiding fors te reduceren.

In Nederland, met een goed gestructureerde varkenshouderij, zal de ziekte uiteindelijk veel makkelijker bestreden kunnen worden dan in Rusland, of andere Oost-Europese landen met heel veel kleinschalige varkenshouderij. Uiteindelijk is dit echter een schrale troost. De grootste schade (export) is dan al geleden en voor Nederland is het dus cruciaal om de aandacht vooral te richten op het voorkomen van insleep van het virus.

Wat voor perspectieven biedt vaccineren?

Kort antwoord: Er is geen vaccin beschikbaar.

Het is niet te verwachten dat er op korte termijn een goed en algemeen bruikbaar vaccin ontwikkeld kan worden. Zelfs als er op termijn een vaccin op de markt komt, is zeer de vraag of dit op zinvolle wijze ingezet kan worden, zeker buiten Afrika.

Uitgebreid antwoord: Pogingen in het verleden om een vaccin op 'klassieke' wijze te maken zijn allemaal op niets uitgelopen. Gebruik van geïnactiveerd virus als vaccin geeft geen bescherming.

Gebruik van verzwakt, levend virus geeft alleen maar een gedeeltelijke bescherming bij sommige dieren, en dan nog hoofdzakelijk alleen tegen een identieke virusstam. Dit soort vaccins zijn ook nog eens gevaarlijk. Het is inmiddels wel duidelijk dat de zwak-virulente stammen die op een gegeven moment gevonden werden in Spanje en Portugal eigenlijk overblijfselen zijn van verzwakte vaccins die ooit zijn uitgeprobeerd. Deze vaccinstammen zijn gaan circuleren en zijn zeker niet onschuldig gebleken!

Recentere pogingen om een vaccin te maken richten zich vooral op het isoleren van een paar eiwitten van een virus die wel bijdragen tot bescherming tegen een infectie, maar geen negatief effect hebben op de ontwikkeling van de immuniteit. Dat laatste is namelijk een groot probleem bij AVP: veel eiwitten van het virus hebben een (grotendeels nog onbekend) negatief effect of de immuniteitsopbouw. Langzamerhand wordt er steeds meer bekend van deze eiwitten voor wat betreft hun functie en rol bij de immuniteitsopbouw, maar grote doorbraken laten nog steeds op zich wachten.

Als er al een vaccin beschikbaar komt, is het ook nog maar de vraag hoe dit vaccin kan worden ingezet.

In West-Europese landen heeft een vaccin vermoedelijk geen toegevoegde waarde. Bestrijding moet goed mogelijk zijn zonder vaccinatie, en door het vaccineren ontstaat er alleen maar een heel groot probleem voor de export, omdat we dan na een succesvolle bestrijding met heel veel gevaccineerde varkens blijven zitten die nergens naar toe kunnen.

In Oost-Europese landen (of andere landen met heel veel kleinschalige varkenshouderij) zal het heel moeilijk zijn om een voldoende hoge dekkingsgraad van het vaccin te krijgen om het virus daarmee uit te roeien. Vaak is het al lastig om alle varkens daar op te sporen, maar een virus wat zich hoofdzakelijk via de voedselketen verspreid, doet dat makkelijk over grote afstanden. Zolang de maatregelen op dat gebied onvoldoende zijn, ontsnapt het virus dus ook vrij makkelijk uit een vaccinatiegebied en begint het ergens anders weer aan voren af aan.

Nu wilde zwijnen steeds meer als reservoir lijken op te treden van het virus, ligt hier eventueel wel een toepassing voor een vaccin in Europa. In het verleden is bijvoorbeeld ook klassieke varkenspest bij wilde zwijnen wel met vaccinatie bestreden. Dit stelt wel speciale eisen aan het vaccin (onder andere werkzaam na opname via de bek).

Een goede oplossing vinden om verspreiding via de voedselketen tegen te gaan, lijkt vooralsnog effectiever dan te proberen om AVP met vaccinatie uit te roeien. Blijft over het gebruik als preventieve vaccinatie, om schade op individuele bedrijfjes te voorkomen. Voor Afrika wellicht een goede oplossing om varkens in de kleinschalige varkenshouderij op individuele basis te beschermen, vooral omdat er daar sprake is van een virusreservoir in het wild. Voor landen buiten Afrika is dit echter geen optie.