Ziekteverschijnselen en diagnostiek van de ziekte van Aujeszky

Ziekteverschijnselen en diagnostiek van de ziekte van Aujeszky

Klinische verschijnselen

De klinische verschijnselen bij het varken variëren sterk, afhankelijk van de leeftijd.

Bij jonge biggen treden hersenverschijnselen op de voorgrond, met krampen, trillen, fietsbewegingen, e.d. Dit gaat gepaard met koorts, gebrek aan eetlust en apathie. Een hoog percentage van de biggen, zeker als ze nog geen week oud zijn, gaat dood.

Bij gespeende biggen, die minstens een week of vier oud zijn, zijn het vooral de ademhalingsproblemen die op de voorgrond treden. Ook dit gaat gepaard met koorts, gebrek aan eetlust en apathie. Hersenverschijnselen worden slecht incidenteel gezien. De meeste dieren herstellen na een dag of tien.

Bij nog oudere varkens verloopt de ziekte vaak subklinisch. Soms ontwikkelen zich ademhalingsproblemen, tot en met longontsteking. Zeugen kunnen terugkomen of aborteren. Ook kunnen zwakke biggen of zogenaamde trilbiggen geboren worden. Hersenverschijnselen zijn relatief zeldzaam bij deze oudere dieren.

Bij runderen en schapen is de ziekte meestal dodelijk en wel binnen enkele dagen. Het meest kenmerkende verschijnsel is een zeer heftige jeuk. Deze kan lokaal optreden, met heftig likken, bijten en/of schuren als gevolg. Uitgebreide beschadigingen van de huid zijn daarbij niet zeldzaam. De verschijnselen worden snel erger. Dieren worden zwakker en apathisch, met periodes van krampen, knarsetanden, snelle, oppervlakkige ademhaling en onregelmatigheden van het hart.

Bij honden en katten zijn de verschijnselen vergelijkbaar als bij honden en schapen. Door verlamming van de keel kan speekselen optreden, waardoor bij deze diersoorten enige gelijkenis met hondsdolheid kan optreden. Honden en katten gaan meestal binnen 1-2 dagen dood.

Diagnostiek

Een eerste verdenking van de ziekte van Aujeszky kan worden uitgesproken bij een combinatie van enerzijds hersenverschijnselen en sterfte bij jonge biggen, zeker in combinatie met ademhalingsproblemen bij oudere dieren. Bij een uitbraak van de ziekte van Aujeszky op een bedrijf kunnen ook verschijnselen bij andere diersoorten alarmerend werken. Bij deze andere diersoorten is het de combinatie van jeuk, hersenverschijnselen en een snelle dood die ernstig verdacht zijn. In de afgelopen decennia is in Nederland consciëntieus gevaccineerd en werden daarmee klinische verschijnselen van toch nog optredende infecties sterk onderdrukt. Ook bij andere diersoorten werd in die periode uiterst zelden de ziekte van Aujeszky vastgesteld. Nu Nederland gestopt is met vaccineren, en langzaam weer een geheel gevoelige varkenspopulatie gaat krijgen, zal een nieuwe introductie zich weer duidelijker gaan manifesteren.

Het virus zelf kan in het eerste stadium van de ziekte, als ook klinische verschijnselen aanwezig zijn, het beste worden aangetoond. Om het virus aan te tonen zijn er twee belangrijke testen beschikbaar:

  • PCR op keelswabs of eventueel organen:
    Dit is een snelle en heel gevoelige test om het virus aan te tonen. In eerste instantie zal ook altijd deze test worden uitgevoerd op materiaal van verdachte dieren. Binnen enkele uren kan hiermee een uitslag worden verkregen.
  • Virusisolatie op keelswabs of eventueel organen:
    Dit gebeurt op cellijnen, waarin het virus zich kan vermenigvuldigen. Het nadeel van deze test is dat het meerdere dagen duurt voordat er een uitslag is. Het voordeel is wel dat levend virus wordt verkregen wat verder gekarakteriseerd kan worden.
  • Antilichamen tegen het virus kunnen vanaf twee weken na een infectie worden aangetoond met een eenvoudige ELISA. Hiervan bestaan twee verschillende typen:

    • gB-ELISA op bloed:
      Dit is een ELISA die antistoffen tegen zowel het vaccin als tegen het virus zelf aantoont. Een dier dat positief is in een dergelijke test kan dus zowel gevaccineerd als besmet zijn (of beide). Omdat vaccinatie dus interfereert met deze test, wordt hij alleen gebruikt bij dieren die niet gevaccineerd zijn.
    • gE-ELISA op bloed:
      Dit is een ELISA die alleen antistoffen tegen het virus zelf aantoont, maar niet tegen het vaccin. Het vaccin is namelijk zo aangepast dat er een stukje uit ontbreekt. Door vaccinatie worden tegen dat stukje (het gE-eiwit) geen antistoffen aangemaakt, maar wel bij een echte infectie. Een dier dat positief is in deze test moet dus besmet zijn met het veldvirus.

    Om meer zekerheid te krijgen over de aanwezigheid van antistoffen, zijn er ook confirmatietesten, die een eerste uitslag van een gB-ELISA of gE-ELISA moeten bevestigen. Bij het CVI is daarvoor zowel een virus neutralisatietest (VNT) als een gE-confirmatie-ELISA beschikbaar. De VNT is daarbij vergelijkbaar met de gB-ELISA en kan alleen worden gebruikt om een infectie bij een niet-gevaccineerd dier te diagnosticeren. De gE-confirmatie-ELISA kan weer wel onderscheid maken tussen gevaccineerde en geïnfecteerde dieren.