Ontwikkeling beleid

Na de Tweede Wereldoorlog werd voedselzekerheid belangrijk. Overheid en samenleving vonden dat de groene ruimte veel en goedkoop voedsel moest produceren. Vanaf 1957 werd dit door een Europees prijs- en structuurbeleid ondersteund waardoor het doel meer dan gehaald werd.

Nederland werd één van de grootste landbouwexporteurs ter wereld maar op Europees niveau ontstonden steeds vaker overschotten. Door de wijze waarop de productietoename gestalte kreeg, nam de mineralenefficiency af waardoor een nieuw knelpunt ontstond: grote verliezen naar het milieu en aantasting van natuur en landschap.

Kort samengevat ziet de tijdlijn van het mestbeleid er als volgt uit:

1984

Instelling melkquotering en Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijen.


1987

Vervanging interimwet door gereviseerde Meststoffenwet en Wet Bodembescherming.


1988

Uitrijverbod voor mest in de wintermaanden waardoor mest, aanvankelijk nog via de mesttank met ketsplaat, voor een groter deel in de zomer werd toegediend. Daardoor was het nodig de, op sommige bedrijven zeer beperkte, mestopslagaanzienlijk uit te breiden.

Eerste jaar met maximale gebruiksnormen voor dierlijke mest in kg fosfaat/ha/jaar (grasland 250 kg, maïsland 350 kg en overig bouwland 125 kg. Doel: afstoppen groei mestproductie en zeer hoge mestgiften.

1991

  • Aanscherpen fosfaatgebruiksnormen (resp. 200, 250 en 125 kg fosfaat/ha met mest).
  • Emissiearme mesttoediening: voor grasland wordt de mesttank met ketsplaat vervangen door mestinjectie, zodenbemesting, sleepvoet (vanaf 2012 voor zand en löss niet meer toegestaan; vanaf 2014 geldt dit ook voor klei en veen), sleufkouter en voor bouwland door mestinjectie en snel inwerken van de mest. De ammoniakemissie bij mesttoedienen vermindert daardoor van ongeveer  215 kton/jaar in 1990 tot ongeveer 50 kton/jaar in 2005 waardoor mesttoedienen als belangrijkste emissiebron wordt vervangen door huisvesting.
  • Europese Nitraatrichtlijn die de hoeveelheid stikstof uit mest per ha per jaar maximeert op aanvankelijk 210 kg/ha/jr (1e Actieprogramma) en later 170 kg/ha/jr (2e Actieprogramma) tenzij een lidstaat aantoont met eigen beleid en aangepaste normen (derogatie) het nitraatdoel te kunnen realiseren.

1995

Verdere aanscherping van de fosfaatgebruiksnormen (resp. 150, 110 en 110 kg fosfaat/ha/jr).

1998

Instelling Minasbeleid waarbij van fosfaatgebruiksnormen werd overgestapt naar stikstof- en fosfaatverliesnormen.

2006

Minasbeleid wordt, na veroordeling van Nederland door het Europese Hof, verlaten en het Gebruiksnormenstelsel komt er voor in de plaats. Hiermee is Nederland weer terug bij gebruiksnormen en wordt, voor het eerst, ook kunstmestfosfaat onder de wet- en regelgeving van het mestbeleid gebracht. De gebruiksnormen voor het eerste jaar (2006) maximaal 250 kg N met dierlijke mest voor bedrijven met derogatie (eis is minimaal 70 % grasland) en voor werkzame strikstof uit mest en kunstmest, afhankelijk van de grondsoort en van weiden of maaien, variërend van 290 tot 385 kg N/ha grasland/jr. Voor maïs is dat 155-160 kg/ha/jr. Voor fosfaat is dat 110 kg/ha/jr voor grasland en 95 kg voor bouwland waarvan maximaal 85 kg met dierlijke mest. In later jaren vindt aanscherping plaats tot, voor fosfaat, evenwichtsbemesting is 2015 is bereikt. Vanaf 2010 is de fosfaatgebruiksnorm afhankelijk van de bodemvruchtbaarheidstoestand van de bodem voor fosfaat. De fosfaatgebruiksnorm voor grond met een hoge fosfaattoestand is 10 kg per hectare lager dan voor grond met een neutrale fosfaattoestand. Op grond met een lage fosfaattoestand kan 5 kg (grasland) tot 20 kg (bouwland) meer fosfaat worden geplaatst dan op grond met een neutrale fosfaattoestand (2013).

De onderliggende site ‘Actieprogramma Nitraatrichtlijn’ is nog OK en kan worden aangevuld zodra het 5e Actieprogramma definitief is.