Effectiever hulp- en handelbeleid in opkomende economieën

Nieuws

Effectiever hulp- en handelbeleid in opkomende economieën

Gepubliceerd op
24 januari 2018

Wageningse onderzoekers ontwikkelden samen met consultants en beleidsmedewerkers richtlijnen voor het ondersteunen van landbouwsectoren in opkomende economieën en ontwikkelingslanden. De richtlijnen – ‘Guidelines for Aid & Trade Support in Dutch PSD-partner countries’ – ondersteunen een effectiever hulp- en handelbeleid.

Onderzoek eerst welke sectoren economische potentie hebben, en kijk dan welke mogelijkheden daar liggen voor ontwikkeling van armen en het betrekken van het Nederlandse bedrijfsleven

Er is een groeiende vraag naar voedsel in ontwikkelingslanden en opkomende economieën. Vergroten van de voedselzekerheid vraagt om meer productieve, veerkrachtige en marktgerichte landbouwsectoren. Private sector ontwikkeling met inbreng van Nederlandse expertise kan daar aan bijdragen. Dat is ook de inzet van het Nederlandse beleid van hulp en handel. Maar in praktijk blijkt het lastig om invulling te geven aan de gecombineerde doelstelling van voedselzekerheid, het versterken van de sector, en de belangen van Nederlandse bedrijven. De nieuwe richtlijnen bieden ambassademedewerkers, beleidsmakers en uitvoerders van projecten houvast met een meer gestructureerde aanpak van private sector ontwikkeling.

Gebaseerd op de praktijk

De richtlijnen zijn tot stand gekomen op initiatief van Geert Westenbrink, die in Den Haag werkt bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en voorheen landbouwraad was in Ethiopië en kwartiermaker van het landbouwprogramma in Myanmar. Westenbrink vertelt dat aan de richtlijnen is gewerkt in samenwerking met Wageningen Economic Research, Wageningen Livestock Research en een aantal consultants en beleidsmedewerkers die in praktijk werken aan sectorontwikkeling. ‘Er zijn verschillende consultaties en presentaties gehouden, onder andere op ambassades en bij het ministerie. De richtlijnen zijn het resultaat van de inbreng van tientallen mensen.’ Youri Dijkxhoorn, die als onderzoeker van Wageningen Economic Research betrokken was, vult aan: ‘We hebben de ervaringen uit de praktijk wat meer generiek gemaakt door theorie en praktijk met elkaar te combineren.’ De richtlijnen worden gepresenteerd als ‘discussie paper’, die in de toekomst aangevuld kunnen worden.

Systematische aanpak

Kern van de richtlijnen is een systematische aanpak om tot de beste combinatie te komen van enerzijds voedselzekerheid door duurzame en inclusieve economische groei, en anderzijds private sector ontwikkeling met betrokkenheid van Nederlandse bedrijven. De eerste en belangrijkste stap is de selectie van subsectoren, zoals de tuinbouw, melkveehouderij of pluimveehouderij, die economisch potentieel hebben. Westenbrink: ‘Onderzoek eerst welke subsectoren economisch potentie hebben, waar je je op gaat richten. Dat is de basis van sector ontwikkeling. Daarna ga je kijken hoe je zoveel mogelijk inclusiviteit tot stand kan brengen, dat wil zeggen ontwikkeling waarin ook arme boeren en vrouwen een kans krijgen.’

Inclusieve ontwikkeling

‘Die inclusieve ontwikkeling is belangrijk’, zegt Westenbrink, want een bijdrage aan voedselzekerheid en een hoger inkomen voor zoveel mogelijk mensen is de rechtvaardiging van de inzet van publieke middelen om de sector te ondersteunen. ‘Daarnaast kijk je waar er kansen in die sector zijn voor de commerciële belangen van het Nederlandse bedrijfsleven en waar Nederlandse kennis kan bijdragen aan een sterke sector. Het is belangrijk om naar het positieve effect op de lange termijn van het land te kijken, dat is ook in het belang van betrokken Nederlandse bedrijven.’ Westenbrink benadrukt dat de economische potentie van de sector leidend moet zijn in projecten voor sector ontwikkeling.

‘De selectie van een subsector met potentieel is essentieel’, zegt Dijkxhoorn. ‘In praktijk wordt die keuze door ambassademedewerkers gemaakt, soms op basis van gefragmenteerde informatie. Deze guidelines geven een handreiking om die keuze iets meer gefundeerd en gestructureerd te maken.’ Dat helpt ook bij het stellen van prioriteiten: een ambassade kan niet alles doen, en het is beter geen projecten te richten op sectoren waarin geen potentie is.

Bijdrage aan SDGs

Volgens Westenbrink voorzien de richtlijnen in een behoefte en zijn ze goed ontvangen. ‘Het is een bijdrage aan de verdere ontwikkeling van het beleid van hulp en handel, om als Nederland bij te dragen aan oplossingen voor de duurzame ontwikkelingsdoelen [Sustainable Development Goals] (SDGs). De richtlijnen gaan gebruikt worden door landbouwraden en beleidsmedewerkers op ambassades, maar ook door ngo’s, consultants en andere betrokkenen.

Dijkxhoorn: ‘Als de juiste match wordt gemaakt tussen lokale bedrijven en Nederlandse expertise, in de juiste sector, dan kan dat tot meer succesvolle projecten leiden en dus tot een grotere bijdrage aan voedselzekerheid en inclusieve ontwikkeling.’