Levende boom - bron van leven

Op bomen leven veel meer insecten dan op andere planten. Dat heeft te maken met de architectuur van de boom oftewel z'n grootte, vorm en structuur, die veel verschillende voedselplekken oplevert.

Daarnaast zijn bomen altijd aanwezig en voor insecten een voorspelbare voedselbron. Insecten hebben daardoor in de loop van de evolutie de mogelijkheid gehad zich te specialiseren. Sommige insecten hebben zich gespecialiseerd in het eten van bladeren, naalden, knoppen of zaden, andere hebben hun levenswijze aangepast aan dikke, of juist aan dunne stamdelen, twijgen of bladstelen. Een boom biedt behalve een variatie aan voedsel ook een variatie aan microklimaten: van zonnig tot schaduwrijk. Daarnaast leven bomen lang en bieden de permanente bovengrondse delen een grote zekerheid van voedsel en gunstige mogelijkheden om te schuilen of te overwinteren.

Hout is slecht te verteren

In Nederland komen op eik alleen al zo'n 50 insecten voor die gallen maken op bladeren, knoppen of twijgen, sommige zelfs op de bast, wortels, meeldraden en eikels. Daarnaast zijn er veel sapzuigende insecten zoals bladluizen, wantsen en cicaden. Maar de meeste soorten, vooral vlinderrupsen en keverlarven, voeden zich met de voedselrijke bladeren. Hoewel 90% van de biomassa van een boom uit hout bestaat, zijn er maar heel weinig insecten die dit als voedselbron gebruiken. Dat komt omdat hout geen hoogwaardige voedingsstoffen bevat. Dat is dan ook de reden dat houtboorders zoals de Wilgenhoutrups, Gele houtrups en boktorren, meerdere jaren nodig hebben om volwassen te worden. De cambiale zone van de bast is wel rijk aan voedingsstoffen en is het domein van bastkevers zoals Eikenspintkever en Eikenprachtkever.

Een race tegen de klok

De eik probeert z'n belagers af te weren door chemische afweerstoffen zoals tannine (looizuur) te maken. De concentraties in het blad stijgen in de loop van het groeiseizoen. Dat is de reden dat de Kleine - en Grote wintervlinder en de Groene eikenbladroller al heel vroeg in het voorjaar actief zijn. De knoppen beginnen nog maar net te schuiven of de pas uit het ei gekomen rupsjes wringen zich in de knop. Het jonge blad is zacht en mals en kan gemakkelijk door de speldenknopgrote rupsjes worden aangevreten. Dit jonge blad is zeer geschikt want het bevat veel eiwit en nog maar weinig looizuur. Ouder blad daarentegen is taai, bevat weinig eiwit en veel looizuur. Dit looizuur is schadelijk voor de rupsen want het remt de opname van eiwitten. Voor de rupsen betekent dit een race tegen de klok want ze moeten volgroeid zijn voordat de concentraties looizuur te hoog zijn. Nadat de rupsen zijn verpopt, wordt het Sint-Janslot gevormd en enkele weken later staat de boom weer vol in het blad alsof er niets is gebeurd. Alleen aan de jaarring is later te zien dat het voor de eik een mager jaar was.

Soms wordt het allemaal teveel

De eik is dan wel een bron van insectenleven maar dat is hij natuurlijk tegen wil en dank. Er zitten namelijk levensbedreigende kanten aan. Na enkele jaren van kaalvraat kan de boom ernstig verzwakken, zeker als er nog andere ongunstige omstandigheden zoals droogte of juist vernatting optreden. Hij kan dan door de Eikenprachtkever worden aangetast en gedood. Als zo'n dode boom niet wordt weggehaald, maar mag blijven staan ja, dan profiteren weer andere legioenen . . .

Ook de vogels profiteren

Rupsen van de Kleine wintervlinder zijn het stapelvoedsel voor jonge koolmezen. De oudervogels vliegen af en aan met de vaak in overvloed aanwezige groene rupsen die daardoor een gemakkelijk vindbare voedselbron zijn. Ook in een niet-plaagjaar zijn in een willekeurige eikenboom altijd insecten te vinden waarmee de jongen grootgebracht kunnen worden. In een omgeving met alleen platanen, acacia's en catalpa's valt voor een vogel daarentegen helemaal niets te halen.

Uittocht in de herfst

In de winter bieden de takken en de stam voor de vele insecten te weinig geschikte plaatsen om te overwinteren. Voordat het blad in de herfst begint te vallen, verlaten hordes insecten de boom om in de bodem beschutting te zoeken. In het voorjaar treedt het omgekeerde op en wordt de boom opnieuw door een stroom van insecten gekoloniseerd. Alleen mijten, dopluizen, sommige galwespen en vlindereitjes overwinteren aan de takken. In de schorsspleten van de dikke stamdelen kunnen spinnen en wantsen gevonden worden. Mezen en boomklevers zoeken de boom af en peuteren overwinterende insecten achter de schors vandaan. De in de grond schuilende insecten dienen op hun beurt als winterkost voor merels en spitsmuizen.

Bron:
Moraal, L.G., 2001. De eik als bron van insectenleven. Bomennieuws 26  (2): 8-9.