Collectieven: Nederland is bijzonder, maar niet uniek

Nieuws

Collectieven: Nederland is bijzonder, maar niet uniek

Gepubliceerd op
25 oktober 2017

Het Nederlandse stelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer met collectieven van boeren staat in Europa zeer in de belangstelling. Alle lidstaten hebben subsidieregelingen voor landschapsbeheer, maar nergens zijn ze zo vergaand gebaseerd op samenwerking tussen boeren. Toch zijn ook in andere lidstaten oplossingen bedacht om inspanningen van individuele boeren ruimtelijk beter te coördineren en samenwerking tussen boeren te stimuleren.

In de internationale literatuur wordt al langer gepleit voor meer samenwerking tussen boeren in natuur- en landschapsbeheer. Een reden hiervoor is dat het agrarisch natuurbeheer effectiever wordt als er oog is voor de ruimtelijke samenhang tussen de activiteiten op bedrijven van individuele boeren. Die samenhang kan er komen door bijvoorbeeld alleen subsidie beschikbaar te stellen voor specifieke maatregelen die optimaal resultaat hebben in de betreffende regio of door individuele boeren te benaderen op basis van een ontwerp op gebiedsniveau. Dit is bij uitstek werk dat door een groep boeren kan worden opgepakt.

Vijf Europese collectieven

Judith Westerink van Wageningen Environmental Research (Alterra) heeft samen met Roel Jongeneel en Nico Polman van Wageningen Economic Research gekeken naar vijf voorbeelden uit Vlaanderen, Engeland, Duitsland, Nederland en Frankrijk.

In Vlaanderen zijn agrobeheergroepen in opkomst. Deze worden informeel gecoördineerd door Eco2, een samenwerkingsverband van boeren, maar het is de overheid die contracten sluit met de individuele boeren. Het Engelse voorbeeld gaat over het beheer van gemeenschappelijke weidegronden. Gemeenschappelijke subsidieaanvragen van groepjes boeren worden aangemoedigd en de organisatie Natural England heeft een belangrijke rol bij het opstellen van beheerplannen.

In Duitsland beschrijven de onderzoekers de Stiftung Rheinische Kulturlandschaft, een regionale samenwerkingsorganisatie die met name overheidsfondsen werft voor natuur- en landschapsbeheerprojecten samen met boeren. Het Nederlandse collectief Water, Land en Dijken is een voorbeeld van de ontwikkeling van het Nederlandse stelsel.

Dat het niet altijd successen zijn, wordt duidelijk aan de hand van het Franse voorbeeld. In het stroomgebied van de Arguenon in Frankrijk hebben groepen boeren een rol gehad in het verbeteren van de waterkwaliteit, maar het is niet gelukt om dit op het gewenste niveau te krijgen. Vervolgens heeft de overheid verplichte maatregelen opgelegd.
Boeren en overheden naast elkaar

Overheid

De voorbeelden laten zien dat er diverse varianten mogelijk zijn voor het organiseren van samenwerking en ruimtelijke coördinatie in het agrarisch natuurbeheer. De taken kunnen op allerlei manieren worden verdeeld tussen overheid, groepen boeren, en derden. Behalve in het Franse voorbeeld, waren groepen boeren in de tijd belangrijker geworden in de uitvoering van het landschapsbeheer.

“De overheid ging echter meestal niet minder doen,” zegt Judith Westerink. “We zagen dat samenwerking vaak betekende dat meerdere partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor dezelfde taak. Samenwerking hoeft dus niet altijd efficiënter te zijn, maar mogelijk is het wel effectiever door coördinatie en leren.” In alle gevallen werd de ruimtelijke coördinatie uitgevoerd door een professionele partij. Waar dit door een groep boeren gebeurde, was deze namelijk ook georganiseerd als een professionele organisatie. Ruimtelijke coördinatie is dus blijkbaar zo complex dat het in handen van professionals komt.

Professionele koepels

Er is spanning tussen professionalisering van groepen boeren en de wens om met elkaar in een gebied samen te werken op basis van bijvoorbeeld korte lijntjes en gebiedskennis. Met grote groepen is het eenvoudiger om een professionele organisatie op te zetten, maar binnen grote groepen is het lastiger om elkaar goed te kennen.

De Engelse en Vlaamse voorbeelden zijn gebaseerd op kleine groepen om de samenwerking te bevorderen. De Vlaamse groepen zijn echter weer verenigd onder een koepel die wel professioneel is. Dat principe van professionele organisaties met daarbinnen meerdere kleinere zie je ook bij veel collectieven in Nederland die hun Agrarische Natuurverenigingen in stand hebben gehouden.

Hoewel in alle voorbeelden bij het ontwikkelen van een nieuwe regeling gebruik is gemaakt van de ervaringen van de vorige, lag hier meestal geen integrale en participatieve strategie achter van monitoring en leren. In Frankrijk werd bijvoorbeeld alleen gekeken naar de effecten op de waterkwaliteit, en niet naar de sociale effecten zoals het draagvlak onder boeren voor de waterkwaliteitsmaatregelen. Judith Westerink: “Wij denken echter, om daadwerkelijk te kunnen leren, dat evaluatie van agrarisch natuurbeheer op meerdere aspecten moet gebeuren, en niet alleen achteraf, maar ook tijdens de uitvoering. De samenwerkende boeren moeten daar bovendien zelf een rol in hebben, omdat zij een deel van de sturingstaken uitvoeren.”

De onderzoekers stellen dat Nederland bijzonder is, maar niet uniek. Ook in andere Europese landen worden nieuwe arrangementen ontwikkeld voor landschapsbenaderingen in het agrarisch natuurbeheer. Andere landen kunnen leren van ons, en wij kunnen leren van andere landen.