Ontwikkeling mosselbestand

Uit het onderzoek blijkt conform verwachting dat er direct na de visserij minder mosselen overblijven op de open vakken ten opzichte van de gesloten vlakken. Dit betreft met name de voorjaarsvisserij. De verschillen tussen open en gesloten voorjaars-vakken worden na verloop van tijd minder groot maar zijn tot twee jaar na de bevissing nog zichtbaar.

Ook bij de najaars-visserij waren er na de visserij meer mosselen in de gesloten vakken maar het verschil met de open vakken was niet statistisch significant. De oorzaak daarvan is dat ook in de gesloten vakken veel mosselzaad weer snel verdwijnt, ondermeer door predatie door zeesterren, en dat op deze locaties natuurlijke sterfte de bestandsontwikkeling meer domineert.

Uit de tijdreeksen blijkt dat er 5 jaar na het ontstaan van de banken vrijwel geen meerjarige mosselen in de onderzoeksvakken meer over zijn. Van de twee in 2009 en 2010 in het kader van de mosseltransitie permanent voor de visserij gesloten grotere banken verdween er één, de andere bestond bij de laatste bemonstering nog steeds.

Relevant voor het beantwoorden van de vraag of zich meerjarige sublitorale mosselbanken en samenhangende natuurwaarden kunnen ontwikkelen is de waarneming dat op drie locaties van de uiteindelijk 37 onderzoekslocaties na meerdere jaren nog uitzonderlijk grote hoeveelheden mossels aanwezig waren. Dit laatste deed zich zowel voor bij de najaarsvakken (1 maal) als bij de voorjaarsvakken (2 maal). In twee van de drie gevallen was de ontwikkeling van het bestand het sterkst op de onbeviste vakken in één geval ontwikkelde de bank zich in beide vakken (open en gesloten voor mosselzaadvisserij) ongeveer gelijk.

Een tweede belangrijke onderzoeksvraag was in hoeverre het wegvissen van mosselzaad effect heeft op de navolgende zaadval. Hierbij is in de analyse onderscheid gemaakt tussen massale zaadval die gemiddeld om het jaar optreedt en beperkte zaadval met een dichtheid van minder dan 150 zaadjes per m2 die elk jaar optreedt. Het blijkt dat omvangrijke zaadval niet positief is gecorreleerd met dichtheden van aanwezige mosselen en mogelijk juist groter is op plekken zonder mosselen. Zaadval in geringe dichtheden lijkt juist wel te midden van aanwezige mosselen plaats te vinden.