De halfgeknotte strandschelp en de mesheften in de Nederlandse kustwateren zijn opvallend toegenomen. Sinds de start van de schelpdierinventarisatie in 1995 zijn er nog nooit zo veel geweest. De bestanden van otterschelpen en zaagjes zijn, vergeleken met vorig jaar, dit jaar ook weer toegenomen, terwijl het bestand aan venusschelpen iets lager is dan vorig jaar.

Nieuws

Twee soorten schelpdieren spectaculair toegenomen in Nederlandse kustwateren

Gepubliceerd op
15 december 2017

De halfgeknotte strandschelp en de mesheften in de Nederlandse kustwateren zijn opvallend toegenomen. Sinds de start van de schelpdierinventarisatie in 1995 zijn er nog nooit zo veel geweest. De bestanden van otterschelpen en zaagjes zijn, vergeleken met vorig jaar, dit jaar ook weer toegenomen, terwijl het bestand aan venusschelpen iets lager is dan vorig jaar.

Succesvolle broedval

“Zowel spisula als ensis lijken vorig jaar een zeer succesvolle broedval te hebben gehad”, aldus projectleider Karin Troost van Wageningen Marine Research. Broedval is een term voor de overgang van schelpdierlarven vanuit de waterfase naar de bodem.

In de Nederlandse kustwateren wordt op schelpdieren gevist. Voor bepaling van het visserijbeleid en ook het natuurbeleid worden jaarlijks de bestanden Amerikaanse zwaardscheden, oftewel scheermessen of mesheften (Ensis directus) en halfgeknotte strandschelpen (Spisula subtruncata) en overige veel voorkomende soorten met een potentieel belang voor visserij geïnventariseerd.

Halfgeknotte strandschelpen

“Spisula was de vorige eeuw de dominante schelpdiersoort in de kustwateren”’ volgens Troost, “maar na de millenniumwisseling verdween deze soort als sneeuw voor de zon. Het bestand kromp in tien jaar tijd ineen van 692 naar slechts 3 miljoen kilo. Vorig jaar was de schatting 39 miljoen kilo versgewicht. Een jaar later blijkt de biomassa met 1.282 miljoen kilo ruim dertig keer over de kop te zijn gegaan. Het broed van spisula lijkt ook nog eens snel gegroeid te zijn, want de verdeling groot/klein is 59/41 procent. Van het bestand ligt 82 procent buiten de beschermde Natura 2000-gebieden.”

Mesheften

De totale biomassa aan mesheften wordt dit jaar geschat op 397 miljoen kilo. In gewicht is dat wel eens meer geweest, maar de 153 miljard stuks is wel het hoogste aantal ooit gemeten. In 2016 ging het om 292 miljoen kilo en 27 miljard stuks mesheften. De mesheftvissers merkten een afname. Bij de overige soorten namen de bestanden van otterschelpen en zaagjes ook toe, respectievelijk tot 4,9 (1996: 3,8) en 24,5 miljard (2016: 15,6) stuks. Het aantal venusschelpen ging iets omlaag: van 11,5 naar 8,5 miljard stuks. Kokkels werden niet wederom niet aangetroffen in de kustzone.

Gissen naar oorzaken

Karin Troost: “Sinds 2015 zagen we spisula langzaam terug komen, wat al heel spannend was, maar we hadden niet voorzien dat we in 2017 zo’n enorm groot bestand aan spisula aan zouden treffen. Het is echt gigantisch, hoeveel spisula er nu ligt. Dit is belangrijk voor mens en natuur, want er wordt op spisula gevist én het is een belangrijke voedselbron voor zwarte zee-eenden. Maar niet alleen spisula zit in de lift, het gaat over het algemeen heel goed met schelpdieren in de kustzone. We zien al jaren een toename van otterschelpen, zaagjes, venusschelpen en ook Ensis.”

Troost kan niet direct verklaringen aanwijzen voor de grote veranderingen de afgelopen jaren in de bestanden schelpdieren. “Vaak zijn de oorzaken voor omvangrijke broedvallen van schelpdieren, die doorgaans slechts eens in de zoveel jaar voorkomen, niet goed te duiden. Het is waarschijnlijk een combinatie van factoren waarbij alles mee moet zitten. 2016 was blijkbaar zo’n jaar.”

Dit is te lezen in het recent verschenen rapport van de jaarlijkse inventarisatie van schelpdieren door Wageningen Marine Research (WMR) in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken. Deze inventarisatie behoort tot de Wettelijk Onderzoekstaken (WOT) van WMR en wordt jaarlijks uitgevoerd in de maanden april, mei en juni.