Tien vragen over biomonitoring

Tien vragen over biomonitoring

1. Wat is biomonitoring?

Voor het meten van luchtkwaliteit via biomonitoring telen onderzoekers van Wageningen UR in de buurt van de in de lucht uitstotende industrie (de ‘bron’) gevoelige plantensoorten: spinazie, boerenkool en gras worden zo als ‘verklikkers’ geteeld. Deze verklikker-planten kunnen stoffen uit de lucht opnemen en opslaan, meestal zonder zichtbare symptomen.

De planten worden in containers met standaard grond geteeld. De invloed van lokale verschillen in bodemkwaliteit is op deze manier uitgesloten en alleen opname via de lucht door de planten wordt gemeten. Soms worden ook melkmonsters genomen bij melkveehouderijen in de buurt van de industrie.

Elke vier weken bekijken de onderzoekers of de planten afwijkingen vertonen en bepalen ze of er schadelijke stoffen in de verschillende planten zitten. Bijvoorbeeld zware metalen, PAK's, fluoriden en dioxines. Als er afwijkingen zijn, wordt dat al in een vroeg stadium duidelijk.

De metingen hebben vooral een signaalfunctie. Zolang de normen in de ‘verklikker’-gewassen en -producten niet worden overschreden, zijn alle gewassen geteeld in de directe omgeving van de bron veilig. Pas bij overschrijding van de normen, is nader onderzoek gewenst.

2. Bij welk soort bedrijven die stoffen in de lucht uitstoten is biomonitoring mogelijk en nuttig?

Voor het meten van luchtkwaliteit kan biomonitoring kan worden toegepast rond individuele (punt)bronnen zoals afvalverbrandingsinstallaties, erts-verwerkende industrieën, energiecentrales en luchthavens. Biomonitoring kan ook op regionale schaal worden toegepast in gebieden met veel industrie of rond grote bedrijventerreinen. Maar ook het monitoren van de kwaliteit van (groente)gewassen in een stedelijk gebied behoort tot de mogelijkheden.

3. Naar welke stoffen kan in een biomonitoringsprogramma worden gezocht?

Welke componenten in een biomonitoringprogramma worden meegenomen, hangt af van welke emissies er plaatsvinden. Andere selectiecriteria zijn eigenschappen van een stof zoals toxiciteit, vluchtigheid, aantoonbaarheid en maatschappelijke relevantie (denk aan dioxines in melk).

Het monitoren van luchtverontreinigingscomponenten zoals kooldioxide (CO2), zwaveldioxide (SO2), fijnstof, ammoniak (NH3) en stikstof-oxiden (NOx) is minder zinvol omdat deze door veel verschillende bronnen worden uitgestoten, zoals industrie, landbouw, huishoudens en verkeer. Deze componenten zijn niet als zodanig in planten aan te tonen vanwege de omzettingen die in planten plaatsvindt en omdat de bijdrage van een individuele bron niet valt te onderscheiden van de ‘deken’ die al over Nederland ligt.

4. Hoe vaak moeten biomonitoringsmetingen worden uitgevoerd?

Een biomonitoringprogramma biedt een jaarrond ‘bewaking’ van de luchtkwaliteit rond een industrie. De frequentie van monsternames is afhankelijk van de plantensoort:

  • In voorjaar en zomer wordt spinazie geteeld, die elke vier weken wordt geoogst en geanalyseerd
  • In najaar en winter wordt boerenkool geteeld, die elke acht weken wordt geanalyseerd
  • Het fluoridegehalte in gras wordt jaarrond elke vier weken bepaald.

Voor het betrouwbaar vastleggen van trends in de tijd (wordt de milieukwaliteit beter, gelijk of slechter ten opzichte van de achtergrondbelasting) is een meerjarig meetprogramma gewenst.

5. Waar wordt gemeten bij een biomonitoringsproject?

Een biomonitoringprogramma heeft vooral een bewakingsfunctie. Daarbij past een ruimtelijke verdeling met meetpunten in zoveel mogelijk windrichtingen ten opzichte van de bron. Op deze manier kan worden onderzocht of er een verband is tussen windrichting en de gevonden gehalten. Het aantal en de ligging van de meetpunten wordt bepaald op grond van de geografische ligging van de bron en het verwachte verspreidingspatroon van de emissies. Op grotere afstand buiten de directe invloedssfeer van de bron wordt een referentiemeetpunt ingericht, voor het bepalen van de lokale achtergrondbelasting. Voor de meeste situaties zijn 5-8 meetpunten voldoende.

6. Welke voorbeelden zijn er van biomonitoringsprojecten

Er zijn projecten rond verschillende afvalverbrandingsinstallaties en een erts-verwerkende fabrieken.

7. Hoe lang duurt het voordat de resultaten van biomonitoring beschikbaar zijn?

Na elke monstername duurt het ongeveer drie weken voordat de analyseresultaten beschikbaar zijn.Voor het in beeld brengen van trends in de tijd is een meetprogramma van minimaal een jaar gewenst.

8. Door wie zijn de resultaten in te zien?

Elk biomonitoringprogramma heeft een begeleidingscommissie waarin de betrokken partijen zijn vertegenwoordigd. De begeleidingscommissie komt 1 à 2 keer per jaar bijeen voor bespreking van de resultaten uit het programma. Ook eventuele aanpassingen van het monitoringprogramma worden hier besproken. Na vaststelling van het jaarrapport wordt dit in de meeste gevallen openbaar gemaakt.

9. Wie voert de biomonitoring uit?

De werkzaamheden worden door medewerkers van Wageningen UR uitgevoerd. Het gaat om werkzaamheden zoals het aanleggen van meetpunten, opkweken van de gewassen, oogsten, rapporteren en overleg met de betrokken partijen. De gewasanalyses worden door externe gecertificeerde laboratoria uitgevoerd.

10. Waar worden de meetwaarden uit het biomonitoringprogramma aan getoetst?

Voor het vaststellen van eventuele effecten op de gewassen worden de gemeten gehalten rond de bron vergeleken met die op het referentie­punt, in dezelfde omgeving maar buiten de directe invloedssfeer van de bron (lokaal achtergrondniveau). Ook worden de gehal­ten vergeleken met de landelijke achtergrond.