De effecten van varroa op honingbijen

Varroa destructor is één van de ernstigste parasieten van de honingbij. Individuele bijen kunnen beschadigd raken tijdens een besmetting in het popstadium en in het volwassen stadium als de varroamijt zich tijdens haar foretische fase voedt met de hemolymfe van een bij.
Als enkele bijen beschadigd zijn, hoeft er nog geen probleem te zijn. Pas als de ziekte meer slachtoffers maakt, kan het een probleem gaan vormen voor het volk. Daarnaast zijn er allerlei interacties met andere ziekten en omgevingsfactoren die de gevolgen van een besmetting versterken.

Effecten op individuele bijen

Tijdens de ontwikkeling van pop tot volwassen werkster, kan een besmetting met 1 varroamijt een gewichtsverlies van 7% veroorzaken. Werksters die geparasiteerd zijn in het popstadium gaan eerder foerageren en hebben een verkorte levensduur. Geparasiteerde vliegbijen zijn langer onderweg en er komen minder van terug naar het bijenvolk dan van niet-geparasiteerde bijen. Dit zou veroorzaakt kunnen worden door een verminderd vermogen om te navigeren. Ook het leervermogen van de bijen is aangetast.Winterbijen die in het popstadium geïnfecteerd zijn, hebben minder vitellogenine dan niet geïnfecteerde winterbijen. Vitellogenine is een opslageiwit dat een bij nodig heeft om voedersap te kunnen produceren. Vitellogenine wordt als belangrijke parameter gezien voor de vitaliteit van bijen (zie pagina 17, winterbijen).Darren die geparasiteerd zijn door varroa in het popstadium kunnen tot 19% lichter zijn dan gezonde darren. Dit heeft tot gevolg dat ze nauwelijks meer kunnen vliegen.

Varroa kan verschillende bijenvirussen overbrengen (zie pagina 20: Varroa en virussen). Dit gaat gepaard met een aantal bekende en goed herkenbare symptomen. Het meest bekend is het Deformed Wing Virus (DWV) dat misvormde vleugels en verkorte abdomen veroorzaakt. Waarschijnlijk is het instorten van bijenvolken in het najaar, waarbij in korte tijd het aantal bijen sterk achteruitgaat, het gevolg van virusinfecties. In dat geval is varroa zelf niet de boosdoener, maar wel de aanstichter. Het is echter wel zo dat met een adequate bestrijding van varroamijten ook de virusinfecties verminderen.

Effecten op het volk

Als een besmetting niet of niet goed bestreden wordt, heeft varroa effect op het hele volk. Wanneer een groot deel van de bijen aangetast is door varroa (in combinatie met virussen) in het popstadium, dan dreigt een volk in te storten. Dit gebeurt vrijwel altijd in het najaar als de winterbijen gevormd worden. De reden hiervoor is dat het broednest van een bijenvolk in de nazomer krimpt, waardoor het relatieve aantal broedcellen dat besmet is, toeneemt (de hele populatie varroamijten stapt in dat steeds kleinere aantal cellen in). Dat zorgt ervoor dat er geen ‘gezonde’ populatie winterbijen gevormd wordt (zie ook hieronder) en dat secundaire infecties (virussen) snel de overhand nemen. De sociale structuur in het volk wordt ondermijnd en uiteindelijk stort het volk in. Dit proces kan op het oog ‘gezonde’ volken (veel bijen) binnen enkele weken reduceren tot een klein restje bijen met een koningin en enkele broedcellen.

Er is geen duidelijke schadedrempel voor varroa vastgesteld. Dit komt doordat varroa veel interacties heeft met andere ziekteverwekkers. Begin jaren ’90 werd gesuggereerd dat een bijenvolk dat 10.000 mijten had, nog best de winter door kon komen (mits je de mijten bestreed vóór de winter). Modelberekeningen laten zien dat varroa in combinatie met bijvoorbeeld DWV al bij een veel lager aantal mijten dodelijk is voor een volk. Monitoringsonderzoek suggereert dat een besmetting van meer dan 6% in oktober (6 mijten/100 bijen) in de meeste gevallen leidt tot sterfte van het bijenvolk in de winter. Praktisch bruikbaar is deze schadedrempel echter niet.

Effecten van varroa op winterbijen: Vitellogenine als maat voor vitaliteit

De vitaliteit van een bijenvolk is een breed begrip dat alle factoren omvat die nodig zijn voor een goed functioneren van een bijenvolk. Er zijn verschillende manieren om de vitaliteit van het volk vast te stellen. Het kan bijvoorbeeld door de groei van een bijenvolk te meten, of door de concentratie vitellogenine te meten in de hemolymf (bijenbloed). Dit laatste laat een duidelijk verband zien met de varroabesmetting.

Het bijenvolk heeft een vernuftige manier ontwikkeld om ervoor te zorgen dat voedingsstoffen zoals eiwitten goed en met constante kwaliteit verdeeld worden over het volk. Het eiwit, dat bijen nodig hebben om voedersap te produceren, om enzymen en andere stoffen te maken voor de spijsvertering en voor de opbouw en het onderhoud van de vliegspieren komt uit stuifmeel. Dit stuifmeel wordt door de jonge bijen gegeten en de eiwitten hieruit worden voor een groot deel als vitellogenine opgeslagen in het eiwitvetlichaam. Vitellogenine is het reserve-eiwit van honingbijen.

Bijen met veel vitellogenine zijn vitaler en leven langer.

In gezonde zomerbijen is de hoeveelheid vitellogenine in evenwicht met de hoeveelheid juveniel hormoon. In zomerbijen van 12 dagen oud is de hoeveelheid vitellogenine in het bloed hoog en het juveniel hormoon laag. Wanneer de hoeveelheid juveniel hormoon stijgt, daalt de hoeveelheid vitellogenine en de productie van voedersap en wordt de veroudering van de bij in gang gezet. In winterbijen, die geen voedersap hoeven te produceren, omdat er geen of slechts weinig broed is, blijft de hoeveelheid vitellogenine hoog en wordt de veroudering uitgesteld. Het blijkt dat, wanneer een pop door de varroamijt geparasiteerd is, ze als jonge bij minder vitellogenine kan maken. Dit betekent dat ze ook minder en minder lang voedersap kan produceren met als resultaat minder goed verzorgd broed. Dit kan een bijenvolk in de zomer nog wel compenseren door minder broed aan te zetten of door kannibalisme van jonge larven. Bij de opbouw van de winterpopulatie is dit anders, omdat de compensatiemechanismen dan niet meer werken: er is dan geen broed meer. Weinig vitellogenine betekent een snellere veroudering. Een geparasiteerde winterbij heeft dus de eigenschappen van een al sterk verouderde bij en zal dus niet lang genoeg leven om de winter door te komen. Het gevolg is dat het volk een verwoede poging doet winterbijen te maken en doorbroedt tegen de verdrukking in, met de dood tot gevolg. De enige manier om dit te voorkomen is door ruim vóór de productie van de winterbijen varroa te bestrijden. De winterbijen worden van september tot november gemaakt. Uiterlijk vertonen bijen met weinig vitellogenine geen verschil met ‘gezonde bijen’.