Interacties tussen varroa en andere ziekten

Tussen varroamijten en andere ziekten bestaan verschillende interacties. We kunnen onderscheid maken tussen directe en indirecte interacties.
Een voorbeeld van een directe interactie (wisselwerking) is de overdracht van virussen door varroa. Een voorbeeld van een indirecte interactie is het effect van varroa op het afweersysteem van bijen waardoor andere ziekten kunnen toeslaan.

Varroa en virussen

Er zijn verschillende virussen die door varroa kunnen worden overgedragen. De meeste van deze virussen waren voordat varroa zijn intrede deed al aanwezig, maar ze vormden nauwelijks een bedreiging en symptomen werden amper waargenomen. Dat komt omdat de manieren waarop deze virussen zich verspreidden en vermenigvuldigden beperkt waren. Met de komst van varroa veranderde dit. Varroa blijkt voor een aantal virussen een belangrijke vector. Dit betekent dat varroa in staat is gebleken om virussen te transporteren en over te dragen. Dit gebeurt onder andere doordat mijten poppen en volwassen bijen aanprikken en virusdeeltjes direct in de hemolymfe injecteren. Daar komt nog bij dat van sommige virussen bekend is dat ze zich ook vermenigvuldigen in varroamijten.

Niet in alle volken komen virussen voor. Het is echter wel zo dat het in alle volken kan opduiken. Virussen worden niet alleen binnen een volk verspreid door varroa, maar ook van volk naar volk. Het vervliegen van besmette bijen bijvoorbeeld zorgt voor verspreiding van volk naar volk.Een uitgebreid onderzoek naar de relatie tussen varroa en virussen in Engeland liet zien dat het instorten van volken in veel gevallen gerelateerd kon worden aan virussen. Volken met alleen varroa overleven met een veel grotere mijtpopulatie dan volken die ook nog een virusinfectie hebben. Volken met varroa èn virussen storten vaak na één seizoen in, terwijl volken zonder virusinfectie het één à twee jaar langer uithouden.

Misvormde Vleugel Virus (Deformed Wing Virus = DWV)

Het meest bekende virus is het Misvormde Vleugel Virus (Deformed Wing Virus = DWV).

De gevolgen voor de individuele bijen zijn duidelijk zichtbaar. Als bijen in het popstadium geïnfecteerd raken met dit virus kunnen zich symptomen als misvormde vleugels en een verkort achterlijf ontwikkelen (zie foto rechts). Met virus besmette bijen vertonen ook symptomen die duiden op een beperkt leervermogen.

Als een paar bijen besmet zijn, is er weinig aan de hand. De gevolgen van een besmetting met dit virus op volksniveau worden echter nog al eens onderschat. Er is een duidelijk verband tussen varroa en dit virus. Als varroa bestreden wordt, neemt de infectie met DWV in gelijke mate af met de mijten. Om dit virus op een adequate manier te onderdrukken is het noodzakelijk om varroa te bestrijden voordat de productie van winterbijen begint. Daarom moet varroa vóór 1 september bestreden zijn. Gebeurt dit niet dan ‘overwintert’ het virus op de bijen en vormt het in het volgende bijenjaar een bedreiging.

Overige virussen

Bijenontlasting in een bijenkast in maart is één van de symptomen van een nosemabesmetting.
Bijenontlasting in een bijenkast in maart is één van de symptomen van een nosemabesmetting.

Er is nog een aantal andere virussen dat door varroa overgedragen kan worden. Op dit moment is dit bekend voor het Acute Bijen Paralyse Virus-complex.Binnen dit complex zijn drie virussen geïentificeerd. Het Kashmir Bijen Virus (KBV), het Acute Bijen Paralyse (= verlamming) Virus (ABPV) en het Israeli Actute Bijen Paralyse Virus (= IAPV). Verder is overdracht door varroa vastgesteld van het Langzaam Paralyse Virus (Slow Paralysis Virus = SPV) en het Macula-achtige Virus (MV). Het Black Queen Cell Virus (BQCV) is mogelijk ook geassocieerd met varroa, maar concrete bewijzen hiervoor ontbreken. Van de overige virussen is de wisselwerking met varroa niet duidelijk.

Deze virussen hebben erg gevarieerde symptomen. De paralysevirussen bijvoorbeeld veroorzaken verlammingsverschijnselen. Dit kan in ernstige gevallen worden waargenomen als bijen die trillend op de raat te vinden zijn, het onvermogen van bijen om te vliegen en het uitvallen van haren. De virussen KBV, ABPV en IAPV kunnen acute sterfte veroorzaken van individuele bijen. Er zijn concrete aanwijzingen dat ze verband houden met het verschijnsel verdwijnziekte.

Varroa en overige ziekten

Naast virussen zijn er nog andere ziekten waarmee varroa in verband kan staan. Hierbij gaat het niet zozeer om directe relaties. Een ernstige besmetting met varroa kan leiden tot een verzwakking van het immuunsysteem van een volk. Dit kan tot gevolg hebben dat andere ziekteverwekkers die in een volk aanwezig zijn virulent worden. Het gaat hierbij om zeer complexe relaties, waarbij niet alleen ziekten, maar ook omgevingsfactoren als temperatuur en dracht een rol kunnen spelen.Een voorbeeld van een mogelijke interactie is die tussen varroa en nosema. Nosema komt in meer dan 90% van de bijenvolken in Nederland voor.

Dit betekent niet dat het in al die volken een probleem vormt. Een gezond volk kan door een aantal mechanismen een nosemabesmetting dusdanig onderdrukken dat het geen gevolgen heeft voor de gezondheid van het volk. Als een volk door varroa verzwakt wordt, is het mogelijk dat een aantal van die afweermechanismen niet optimaal meer werkt. Hoe en in welke mate dit samenspel tussen varroa en andere ziekten precies werkt moet nog onderzocht worden.

Onlangs is ook een verband gelegd tussen nosema en virussen. Het lijkt erop dat nosema in de bijendarm besmetting met virussen faciliteert. Dit wijst erop dat de interactie tussen ziekten nog complexer is dan eerder werd gedacht.