Aal - Paling

Biologie

De aal of paling (Anguilla anguilla (L.)) is een zeer uitzonderlijke vis. Met zijn slangachtige uiterlijk wordt hij in de volksmond zelfs niet tot de vissen gerekend (‘Handel in haring, aal en vis’). Voorts wordt deze vis met zeer veel lokale namen aangeduid: aal, paling, peling, pellik etc. Hij plant zich voort in de Atlantische Oceaan, op een ons onbekende plaats, vermoedelijk ergens in de Sargassozee.

De jonge aal (glasaal) trekt in het voorjaar vanuit zee de rivieren binnen. Eenmaal in het zoete water aangekomen, eten de aaltjes allerlei levende prooien, zoals wormen, watervlooien, kreeftjes, insecten etc. Vanaf een lengte van 25 cm wordt tevens een toenemende hoeveelheid vis gegeten. Aal groeit bijzonder langzaam: marktrijpe aal van ca. 30 cm is in onze contreien 8 à 10 jaar oud, en de oudst bekende aal leefde meer dan 155 jaar in een vijver in Zweden! Vanaf een lengte van gemiddeld 35 cm (mannetjes) resp. 65 cm (vrouwtjes), verandert de aal van uiterlijk en wordt nu aangeduid als schieraal, vanwege de witte (=schiere) buik.

De schieraal trekt terug naar zee, om daar aan de voortplanting te gaan deelnemen. Bij deze trek wordt zo nodig een korte tocht over land niet gemeden, maar erg vaak zal dit niet voorkomen.

Visserij

In alle landen waarin de aal voorkomt, wordt of werd ook op deze vis gevist. In de landen rond de Golf van Biskaje betreft dit vooreerst de visserij op de binnentrekkende glasaal. Zolang de rivieren in het voorjaar nog te koud zijn, hoopt de glasaal zich op in de riviermondingen, en is daar dan een relatief makkelijke prooi voor de visserij. Glasaal-visserijen gebruiken zowel in de hand vastgehouden schepnetten als vanaf een schip bediende netten. De glasaal werd gebruikt voor menselijke consumptie (vooral in Spanje), voor uitzet in buitenwateren, en voor opkweek in kwekerijen. Het grootste gedeelte van de glasaal werd tot voor kort geëxporteerd naar kwekerijen in Oost-Azië; vanwege een tekort aan glasaal van de Japanse aal, zijn de Aziatische kwekers meer en meer gebruik gaan maken van glasaal van alle andere aalsoorten van de wereld. In Nederland is de glasaalvisserij verboden. De visserij op rode en schieraal komt voor in het gehele verspreidingsgebied van de aal. In Midden en Noord-Europa vormt dit de belangrijkste visserij. De visserij op rode en schieraal maakt gebruik van een heel scala aan vistuigen, zoals netten en fuiken, speren, potten en kubben, haken etc. en wordt uitgeoefend in kustgebieden, in lagunes, in rivieren, meren, beken en alle mogelijke kleinere wateren. Exclusief op schieraal gerichte visserijen komen vooral in Scandinavië voor, waar in de kustwateren met zeer grote fuiken gevist wordt op de trekkende schieraal. De Nederlandse wet schrijft een minimum maat van 28 cm voor; in andere landen gelden doorgaans veel hogere maten, tot wel 65 cm in de Baltische staten. In het kader van Europese maatregelen voor het herstel van het bestand van Europese aal die in 2007 zijn ingevoerd is in veel landen de visserij op aal beperkt.

Ontwikkeling in het bestand

In tegenstelling tot voor de meeste zeevisbestanden is voor aal geen integrale toestandsbeoordeling op Europees niveau mogelijk. Hiervoor zijn de gegevens te gefragmenteerd en incompleet. Alle gegevens wijzen echter op een langzame en gestage afname van het bestand sinds de jaren 1960 of eerder. Over de reden van deze geleidelijke achteruitgang is veel gespeculeerd (invloed van aalscholvers, vissers, vervuiling, inpoldering, afdamming, enz.), maar de werkelijke oorzaak is niet echt duidelijk. Aangenomen wordt dat het hele scala aan oorzaken gezamenlijk voor de gestage daling gezorgd heeft. Bovendien heeft zich sinds 1980 in heel Europa een aanzienlijke daling in de hoeveelheid glasaal voorgedaan, zelfs tot <5%. De aanwas is dus ook bijzonder klein. De Europese aal is opgenomen in de IUCN Rode lijst van kritisch bedreigde soorten. De totale vangst in Nederland wordt geschat op een orde van grootte van 400 ton (cijfers over 2010-2012).

Beheer

Naar aanleiding van de zorgelijke toestand van de Europese aal is in 2007 door de Ministerraad van de Europese Unie een aalverordening aangenomen. In deze verordening wordt een streefbeeld en herstel van het bestand van Europese aal vastgesteld. De aalverordening legt de lidstaten die binnen hun nationale grenzen stroomgebieden hebben die deel uitmaken van de habitat van de aal, de plicht op om uitvoering te geven aan de beheersplannen voor aal. Dergelijke beheersplannen dienen maatregelen te omvatten die erop gericht zijn dat ten minste 40 % van de volwassen aal kan ontsnappen naar zee, afgezet tegen het ontsnappingspercentage dat zou hebben gegolden zonder invloed van de mens. Met name dient een beheersplan maatregelen te omvatten zoals vermindering van de commerciële visserijactiviteiten, beperking van de sportvisserij, maatregelen voor de uitzet, structurele maatregelen om rivieren passeerbaar te maken en de rivierhabitats te verbeteren, overbrenging van schieraal van binnenwateren, bestrijding van predatoren, maatregelen inzake hydro-elektrische turbines, aquacultuur, alsmede overige maatregelen die noodzakelijk zijn om voornoemd ontsnappingsdoel van 40 % te verwezenlijken. Nederland heeft in 2008 een herstelplan voor aal in Nederlandse wateren bij de Commissie ingediend.

Toestandsbeoordeling en advies

De toestand van de aalstand wordt jaarlijks beoordeeld door de internationale aalwerkgroep van ICES en EIFAAC (European Inland Fisheries Advisory Commission). De meest recente toestandsbeoordeling en beheersadviezen zijn beschikbaar op de ICES website.