Japanse Oesters

Bestandsopnamen Japanse oesters

Inventarisatie van de Japanse oesters in Nederlandse kustwateren

Sinds 2011 wordt jaarlijks in opdracht van de overheid het bestand aan Japanse oesters geïnventariseerd in de Nederlandse kustwateren (Waddenzee, Oosterschelde en Westerschelde).  De Japanse oester (Crassostrea gigas) is in de jaren ’60 in Nederland geïntroduceerd als commerciële soort. De soort wordt gekweekt op kweekpercelen, met gebruikmaking van natuurlijke voortplanting. Omdat de soort zich snel na introductie zelfstandig voort wist te planten is sinds de jaren 70 een snelle toename van ‘wilde’ oesterbanken in de Nederlandse kustwateren te zien. Het RIVO, later IMARES, heeft rond 2000 de toename van het areaal aan wilde oesterbanken sinds 1980 in het litoraal van de Oosterschelde in kaart gebracht en gereconstrueerd op basis van luchtfoto’s. Op basis van gegevens uit de jaarlijkse mosselsurvey in de Waddenzee is ook een ruwe inschatting gemaakt van het voorkomen van oesterbanken in de Waddenzee. In zowel de Oosterschelde als de Waddenzee is het areaal aan oesterbanken snel toegenomen.

Hoewel de Japanse oester niet van groot belang is als directe voedselbron voor vogels, hebben Japanse oesters vanwege hun structuurbouwende eigenschappen een groot effect op de estuariene ecosystemen waarin ze zich bevinden. Ze herbergen een grote biodiversiteit, waaronder prooidieren voor vogels (zoals mosselen). Daarnaast zijn oesterbanken interessant voor het rapen op commerciële basis. Ook worden oesterbanken wel opgevist om de oesterschelpen te gebruiken als collector-materiaal om oesterbroed in te vangen voor de kweek op bodempercelen. Het eerste gebeurt vooral in de Waddenzee, het tweede met name in de Oosterschelde. In de Oosterschelde bieden oesterbanken een goede basis voor mosselen, die hier niet meer in natuurlijke banken voorkomen. In de Waddenzee ontwikkelen oesterbanken zich vooral op bestaande mosselbanken.

De gecombineerde litorale banken survey (mosselbanken en oesterbanken) begint in het voorjaar met een inspectievlucht boven de Waddenzee. Daarbij wordt geregistreerd welke bekende banken (deels) zijn verdwenen en waar nieuwe banken worden gesignaleerd. Vervolgens gaan de onderzoekers het veld in om de mosselbanken met een GPS in te meten. Men loopt met een GPS om de banken heen, en markeert de contouren door het zetten van waypoints. Deze waypoints worden aan boord ingelezen in een geografisch informatiesysteem, en zo kunnen er kaarten gemaakt worden van de verspreiding. Bij het veldbezoek wordt een inschatting gemaakt van de bedekking, dus de dichtheid, van mosselen en oesters. Ook worden de mosselen ingedeeld in de grootteklassen ‘zaad’, ‘halfwas’, en ‘consumptie’. De oesters worden ruwweg ingedeeld in ‘broed’ en ‘volwassen’.

Hoewel in de Westerschelde nog geen oesterbanken van betekenis worden aangetroffen, is het oesterbestand in de Oosterschelde inmiddels vrij omvangrijk. Hier wordt geen inspectievlucht uitgevoerd, maar is vanuit vroegere inventarisaties door het RIVO bekend waar de oesterbanken te vinden zijn.

Sinds 2011 worden de oesterbestanden in het sublitoraal in kaart gebracht middels bemonstering met een bodemhapper.