Longread

Boer wordt straks beloond voor producten én diensten

De marktstrategie van de Nederlandse land- en tuinbouw schuift op van kostprijsverlaging naar verwaarding van de extra eisen die de maatschappij aan de telers stelt. Daarbij zal het specialisme van de Nederlandse sectoren blijven, verwachten onderzoekers Marianne Groot en Herman Schoorlemmer. “Dit vraagt om samenwerking tussen alle partijen die moeten leven ván en mét de agrarische sector.”

Het bedrijf van WUR Open Teelten in Lelystad is de plaats waar Groot en Schoorlemmer hun visie op de toekomst van ‘verdienen aan de landbouw’ kunnen illustreren. Het onderzoeksbedrijf zoekt steeds meer de verbinding met de omgeving, de omwonenden, de politiek, producenten van landbouwtechniek, met ieder die zich inzet voor de omgeving, het milieu of de biodiversiteit. Laten zien en bediscussiëren kan op de Boerderij van de Toekomst. Maatschappelijke wensen vragen om een verandering van verdienmodel bij de boer.

Herman Schoorlemmer. Foto: Ruud Ploeg
Internationaal als specialist opereren, regionaal samenwerken aan kringloop
Herman Schoorlemmer

Groot: “Ons oude model, vanuit mijzelf bekeken in de fruitteelt, is gebaseerd op het maken van grote partijen, die uniform zijn, goed van kwaliteit. Die producten komen mooi op de veiling aan.” “Inderdaad”, zegt Schoorlemmer. “In de akkerbouw is dat vergelijkbaar. Alles was altijd sterk op productie gericht. De hele cluster zorgt voor goede kwaliteit tegen een lagere prijs dan de concurrent kan leveren, ook voor de export belangrijk.” De onderzoekers zien daarin een verschuiving optreden. Anders gesteld: er komen meer eisen dan enkel productie en kwaliteit bij. Dat zijn de nieuwe maatschappelijke eisen.

In het oude model waren er twee manieren om mee te blijven doen: kosten verlagen en schaal vergroten. Schoorlemmer: “Maar wanneer stopt dat? Dat Nederland de tweede agrarische exporteur ter wereld is na de VS, is een enorme prestatie. Vandaag de dag voelen we de negatieve bijeffecten daarvan, die niet in de prijs verwerkt zijn. De uitdaging is dus om een duurzaam productiesysteem te realiseren.”

Dat Nederland de tweede agrarische exporteur ter wereld is na de VS, is een enorme prestatie. Vandaag de dag voelen we de negatieve bijeffecten daarvan, die niet in de prijs verwerkt zijn. Foto: Ruud Ploeg

"Dat Nederland de tweede agrarische exporteur ter wereld is na de VS, is een enorme prestatie. Vandaag de dag voelen we de negatieve bijeffecten daarvan, die niet in de prijs verwerkt zijn." Foto: Ruud Ploeg

Koppositie

Groot en Schoorlemmer stellen dat Nederland voorop loopt in de kennisontwikkeling. Daarnaast kent ons land heel veel, goed georganiseerde structuren die de productie en export ondersteunen. Groot zegt dat dit bijvoorbeeld te zien is aan de fytosanitaire aanpak in Nederland. “Daar zie je dat we het goed geregeld hebben, bijvoorbeeld bij de keuring van uitgangsmateriaal.” Schoorlemmer onderstreept de kracht van Nederland als het om innovatie en samenwerking gaat. “Ik geloof echt in de capaciteit van onze agrarische sector als we het daarover hebben.”

Fijnslijpen aan het bestaande model stopt. Voor de toekomst verwachten de onderzoekers dat er meerdere nieuwe sporen zullen ontstaan die ondernemers kiezen voor het verdienen van geld aan hun agrarische activiteiten. Schoorlemmer denkt aan duurzaamheidsinspanningen die het eigen bedrijf ten goede komen, zoals bodemvruchtbaarheid en klimaatadaptatie, duurzaamheid toevoegen aan de productieketen en aan ecosysteemdiensten. Groot ziet dat het bij het kiezen van andere sporen onmogelijk is om dat los te zien van de gevolgen voor het landschap. De maatschappij zal verder bij moeten dragen aan de extra doelen die ze zelf stelt aan de agrariër, omdat die doelen tot conflicterende effecten kunnen leiden.

Als voorbeeld nemen de onderzoekers de maatschappelijke wens om zonder gewasbeschermingsmiddelen ziekten te bestrijden. “Bij fruit heb je het dan bijvoorbeeld over de cabrio-kap als innovatie. Deze helpt om het gewas droog te houden waardoor er naar verwachting fors minder chemie gebruikt kan worden. Maar dat heeft een enorme invloed op het aanzien en de inpassing in het landschap. Hoe is dan de afweging tussen chemie en landschap? Willen we liever overkappen dan chemie?”

Rol van het onderzoek

Wat volgens Schoorlemmer blijkt bij nieuwe bewegingen die de landbouw willen veranderen, is dat er nog geen helder economisch perspectief is voor de meerderheid van de agrarisch ondernemers. Ook kunnen die maatschappelijke doelen elkaar misschien tegenwerken. “We hebben te maken met grote veranderingen, want de maatschappij wil minder kooldioxide-uitstoot, minder fossiele brandstof, meer biodiversiteit, maar ook miljarden mensen voeden. Als onderzoekers berekenen wij wat de effecten van de grote ontwikkelingen zijn. Aan de andere kant zijn vernieuwers bezig met oplossingen. De rol van het onderzoek is om te zien of en hoe die vernieuwers bijdragen aan de duurzaamheidsdoelen maar ook om die ideeën beter te maken samen met die vernieuwers. Dat heet co-innovatie.”

De rol van het onderzoek is om te zien of en hoe die vernieuwers bijdragen aan de duurzaamheidsdoelen maar ook om die ideeën beter te maken samen met die vernieuwers. Foto: Ruud Ploeg

De rol van het onderzoek is om te zien of en hoe die vernieuwers bijdragen aan de duurzaamheidsdoelen maar ook om die ideeën beter te maken samen met die vernieuwers. Foto: Ruud Ploeg

De Boerderij van de Toekomst in Lelystad is een broedplaats om vernieuwingen in een economisch haalbaar totaal systeem te toetsen en te verbeteren. Groot zou dat model graag toepassen in de fruitteelt. “We moeten daarnaast het gesprek aangaan met omwonenden bij ontwikkelingen. Dat doen we in een Europees project met ‘multi-actor platforms’.“ Schoorlemmer noemt in dat verband de living labs van het Wageningse onderzoek. Die geven aan dat de opzet van innovatie in de landbouw verandert. “Vroeger deed je onderzoek, ontwikkelde een stap en betrok daarna de boeren. Nu betrek je direct alle maatschappelijke actoren en ontwikkelt dan samen iets. Daarom hebben wij als onderzoekers collega’s die ontwikkelen en andere collega’s die gericht zijn op het faciliteren van dat proces.” Deze aanpak leidt tot meer draagvlak en versnelt vernieuwing, verwachten de onderzoekers.

Bedrijven als partner

Een kostprijsbepalende verandering waar de land- en tuinbouw voor staat is die van duurzamer mechanisatie. Schoorlemmer: “Wij ontwikkelen met bedrijven en andere stakeholders toekomstscenario’s voor de landbouw. Binnen die scenario’s kijken we dan hoe bijvoorbeeld mechanisatie er uit zou kunnen zien. Dat helpt dan weer de technologiebedrijven om strategische keuzes te maken. Zo ondersteunen wij de ontwikkeling.”

Marianne Groot. Foto: Ruud Ploeg
Wetenschappers moeten het gesprek aangaan met alle belanghebbenden rond landbouwontwikkeling
Marianne Groot

Uiteindelijk zal de agrarische sector slimme oplossingen in de praktijk opnemen, waar genoeg mee te verdienen is. “Het kan zijn dat de opbrengst van duurzamere landbouw minder groot is, maar dat het geheel een hogere waarde voor de maatschappij heeft”, voorziet Schoorlemmer. De meerkosten van die veranderingen zijn volgens Groot daarom niet compleet af te wentelen op de landbouw. Vormen van verwaarding via andere bronnen dan de productverkoop kunnen volgens beide onderzoekers een middel zijn om een inkomen voor de teler te garanderen.

Een manier om een meerwaarde uit producten te halen is om ze te onttrekken uit de anonimiteit. Korte ketens, lokale producten, zoals die de afgelopen tijd vaker in het nieuws waren, dragen bij aan ‘mooi houden van de eigen streek’. Voor de export kan Nederland daar minder mee, terwijl lokale afzet maar een klein deel van de productie is. Groot: “Toch geldt dat zolang iedereen naar een ander kijkt, er niets gebeurt. We moeten dus alle kansrijke scenario’s onderzoeken.”

Hoe is dan de afweging tussen chemie en landschap? Willen we liever overkappen dan chemie? Foto: Ruud Ploeg

"Verbreden van het verdienmodel naar kringlooplandbouw, energieproductie of ecosysteemdiensten is een uitdaging." Foto: Ruud Ploeg

Specialisten

Hoewel de nadruk ligt op diversificatie, kringlopen en duurzaamheid, denken Groot en Schoorlemmer dat het specialistische niveau van Nederlandse telers toch overeind blijft. Groot stelt dat er veel kennis achter gespecialiseerde agrarische bedrijven zit. Daarbij werken deze samen in ketens die steeds hechter verbonden worden. In de internationale ketens blijven de gespecialiseerde bedrijven sterke spelers. Op regionaal niveau ligt samenwerking via grondruil tussen die gespecialiseerd bedrijven voor de hand waardoor er toch aan kringlopen gewerkt kan worden.

Samenvattend zegt Schoorlemmer dat verdienen aan de landbouw een technisch goede en een communicatief vaardige teler nodig heeft. “Verbreden van het verdienmodel naar kringlooplandbouw, energieproductie of ecosysteemdiensten is een uitdaging. De ketens zullen nog meer geïntegreerd worden en nog flexibeler, de vrijheid van de ondernemers kleiner. De boer van de toekomst communiceert meer, is transparanter en werkt meer samen.”

Vakkennis koesteren

De sterke positie van Nederland op de internationale markt van landbouwproducten ligt volgens Marianne Groot en Herman Schoorlemmer aan de kwaliteit van het product. “Daarom moet het vakmanschap tijdens de opleiding een onderdeel blijven”, zegt Groot. Schoorlemmer denkt dat Nederland nooit in moet leveren op kwaliteit voor exportproducten. “Anders zijn die producten straks alleen welkom als er ergens tekorten zijn.”

Op de exportmarkt kan Nederland in het nadeel zijn, als de randvoorwaarden voor de productie prijsverhogend werken of de grondprijs dat doet. Dat laatste relativeert Schoorlemmer: “Grond is een heel waardevast beleggingsobject. Daarom is het voor de boer redelijk risicoloos. Daar zou ik dus niet bang voor zijn. Voor jonge bedrijfsopvolgers en nieuwe toetreders in de sector is die grondprijs wel een drempel. Je zou grondeigendom en grondgebruik daarom kunnen splitsen.”