Persbericht

Beleidshulpmiddel verhoogt effectiviteit van investeringen in natuurherstel

Gepubliceerd op
15 juni 2012

Wat is de beste manier om de overlevingskansen van kenmerkende planten- en diersoorten in het versnipperde Nederlandse landschap te vergroten? Werken aan de kwaliteit van de bestaande leefgebieden of investeren in uitbreiding van de gebieden of verbindingszones?

Een lastige keuze bij het plannen van herstelmaatregelen, waarvoor onderzoekers van de Universiteit van Louvain-la-Neuve en Wageningen University, onderdeel van Wageningen UR, nu een ruimtelijk populatiemodel hebben ontwikkeld. Het nieuwe model wijst, naar gelang de omstandigheden, de weg naar de effectiefste keuze.

Veel kenmerkende soorten in het Nederlandse landschap worden bedreigd door een combinatie van ruimtelijke versnippering van leefgebieden en afname van de kwaliteit binnen het leefgebied. Die kwaliteit wordt bepaald door de voorwaarden die soorten stellen aan bijvoorbeeld de waterhuishouding van het gebied, de variatie in structuur en soortensamenstelling van de vegetatie en het aanbod aan voedselplanten en voor insecten. Dit maakt het lastig om bij het plannen van herstelmaatregelen te kiezen voor verbinden van gebieden óf het verbeteren van lokale omstandigheden.



Vlaggenschip

Voor het onderzoek richtten de onderzoekers zich op een bedreigde dagvlinder, het gentiaanblauwtje, als goed voorbeeld voor deze problematiek. Deze vlinder staat ook wel bekend als het vlaggenschip van de natte heide omdat hij alleen voorkomt op goed ontwikkelde heide met een stabiele waterhuishouding. De afgelopen decennia zijn juist de kleine, geïsoleerde populaties verdwenen, maar ook in de grotere gebieden zijn de omstandigheden vaak niet optimaal. De jonge rupsen ontwikkelen zich in de vruchtbeginsels van de zeldzame klokjesgentiaan, maar na enige weken kruipen ze naar buiten om geadopteerd te worden door knoopmieren. In het mierennest voltooien ze hun ontwikkeling tot vlinder. Alleen in gevarieerde heide komen zowel gentianen als knoopmieren op korte afstand van elkaar voor.

De onderzoekers ontwikkelden een ruimtelijk model waarin zij de overleving van afzonderlijke populaties en de uitwisseling tussen populaties simuleerden. In het model, dat zij publiceerden in PLOS One van deze week, zijn de effecten van vier typen herstelmaatregelen doorgerekend, nl. het vergroten van bestaand leefgebied, het verbeteren van de kwaliteit ervan, het ontwikkelen van verbindende stroken leefgebied tussen populaties en het bijplaatsen van gekweekte vlinders. Ook nam het team de kosten van uitvoering mee om een kosten-batenanalyse te bepalen: steeds werd eenzelfde bedrag voor de uitvoering beschikbaar gesteld.

Effectief
De effectiviteit van de maatregelen blijkt te verschillen tussen vier verschillende populatienetwerken bij Dwingeloo, Balloo, Oldeberkoop en het Drents-Friese Wold waar het gentiaanblauwtje nog voorkomt in heidegebieden. Vergroting van leefgebied bleek qua kosteneffectiviteit het gunstigst, gevolgd door hetzij verbetering van habitatkwaliteit of het creëren van verbindende schakels, afhankelijk van de ruimtelijke structuur van de populaties. Herintroductie van gentiaanblauwtjes werd door het ruimtelijke populatiemodel meestal als inefficiënt beoordeeld, behalve in een sterk versnipperde situatie in Zuidoost-Friesland.

Het meewegen van de kosten in de beslissingen kan leiden tot verschillende uitkomsten. Wanneer alleen naar te herstellen oppervlakte wordt gekeken, is ontwikkeling van nieuw leefgebied in verbindende schakels soms effectiever dan het vergroten van bestaand leefgebied, maar omdat dit duurder is, levert het laatste meer op bij dezelfde investeringen.

De onderzoekers zien in de ontwikkeling van dergelijke ruimtelijk en financieel expliciete modellen een waardevol hulpmiddel om te komen tot een verantwoorde investering in maatregelen voor een duurzaam natuurherstel.


Publicatie

Radchuk, V., Wallis de Vries, M.F. & Schtickzelle, N. (2012). Spatially and financially explicit population viability analysis of Maculinea alcon in the Netherlands. PLoS ONE, 14 juni 2012

Contactpersoon: prof.dr. Michiel Wallis de Vries, Wageningen University, Laboratorium voor Entomologie / De Vlinderstichting,