Equine virale rhinopneumonitis/ Equine herpes virus

Equine virale rhinopneumonitis/ Equine herpes virus

Equine virale rhinopneumonitis wordt veroorzaakt door infecties met het equine herpes virus (EHV). In Nederland komt besmetting met type 4 (EHV4) wijd verspreid voor. EHV4 veroorzaakt vooral griepachtige verschijnselen.

Er zijn twee equine herpes virus typen die veel voorkomen. Infectie met type 1 (EHV1) kan resulteren in ontstekingen van de voorste luchtwegen, soms longontsteking, abortus, sterfte direct na geboorte  of neurologische symptomen bij paarden en ezels. 

EHV1 komt wereldwijd voor in alle landen met een paardenindustrie van enige betekenis. EHV-infecties veroorzaken levenslang latente infecties in besmette dieren. Deze dieren zijn vaak de bron voor nieuwe infecties voor veulens van twee maanden en ouder, pas gespeende en jaarlingen. Andersom kunnen jonge dieren die de infectie voor het eerst doormaken veel virus uitscheiden en daarmee weer oudere dieren, zoals drachtige merries, infecteren.

Preventie en controle

Nieuwe paarden (of paarden die terugkomen van een andere locatie) moeten 3-4 weken apart gehouden houden voordat zij bij de andere paarden (vooral drachtige merries) gevoegd kunnen worden. Drachtige merreis moeten apart gehouden worden van pas gespeende veulens en eenjarige paarden.

In geval van een uitbraak van een ademhalingsziekte of abortus moeten de besmette dieren geïsoleerd worden en moeten maatregelen voor desinfectie van de besmette locatie worden genomen. Paarden mogen de locatie tot drie weken na herstel van het laatste klinische geval niet verlaten.

Vaststellen van een infectie met EHV is nodig om overdracht naar andere paarden en bedrijven te voorkomen door bijvoorbeeld het treffen van hygiënische maatregelen, het isoleren van geïnfecteerde paarden en eventueel het tijdelijk ‘op slot doen’ van het betreffende bedrijf.

De op de markt zijnde vaccins bieden bescherming tegen de verkoudheidsvorm, dus de griepachtige verschijnselen. Er is geen waterdichte bescherming tegen verwerpen; bescherming tegen verlammingsverschijnselen is niet aangetoond. Vaccins dienen vooral om de uitscheiding van het virus te beperken. Daarom heeft het de voorkeur om vaccinatie bedrijfsmatig toe te passen, dat wil zeggen álle paarden in de stal vaccineren tegen EHV. Daarnaast moeten goede management-maatregelen genomen worden, zoals het in quarantaine plaatsen van nieuwe paarden.

Klinische verschijnselen

Besmette dieren kunnen een of meer van onderstaande symptomen vertonen.

  • Plotselinge koorts gedurende 1-7 dagen
  • Periodiek neusuitvloeiingen
  • Zwelling van neusslijmvlies en conjunctiva
  • Verminderde voeropname
  • Hoesten
  • Drie tot tien dagen later kunnen ook verlammingsverschijnselen optreden, variërend van een slappe  staart, problemen met de coördinatie tot een totale verlamming van de (achter)benen.
  • Lichte vergroting van lymfknopen
  • Mogelijk oedeem aan de benen
  • Mogelijk constipatie gevolgd door diarree

Herstel volgt vaak binnen een week. Echter soms duren de neusuitvloeiingen samen met hoesten 1-3 weken.Volwassen paarden vertonen overigens zelden klinische verschijnselen van de voorste luchtwegen als zij geïnfecteerd zijn.

Abortus

Abortus veroorzaakt door EHV komt meestal voor in de laatste vier maanden van de dracht, maar kan incidenteel ook al vanaf de vierde maand van de dracht optreden. De infectie heeft meestal 1–4 maanden voor de abortus plaatsgevonden. De geïnfecteerde merries vertonen meestal geen klinische verschijnselen. Na de abortus treden meestal geen complicaties op.

Post-mortem

  • Ontsteking van de luchtwegen
  • Oedeem in de longen
  • Foetussen geaborteerd voor 6 maanden dracht vertonen veel necrose, vooral in de lever en de longen. Geaborteerd na 6 maanden dracht:
    • Geelzucht

    • Vergrote milt

    • Necrose in de lever

    • Ophoping van vocht achter het borstvlies

Behandeling

Er bestaat geen specifieke behandeling voor EHV-infecties. Rust en verzorging zijn het beste om secondaire bacteriële complicaties te minimaliseren. Koortswerende middelen worden aanbevolen voor paarden met koorts boven 40° C. Het dier kan volledig herstellen, maar een deel van de geïnfecteerde dieren met neurologische symptomen houdt langdurig restverschijnselen. Als dieren niet meer zelfstandig kunnen staan, is de prognose zeer ongunstig en moet euthanasie overwogen worden.

Diagnose

Equine viral rhinopneumonitis kan op basis van klinische verschijnselen van de voorste luchtwegen niet onderscheiden worden van equine influenza, equine viral arteritis of van andere ademhalings­infecties. De definitieve diagnose wordt gesteld aan de hand van virusisolatie of PCR op neusswabs en bloedmonsters in het vroege stadium van de infectie en via serologische testen in de acute en herstelfase.

In geval van abortus mogelijk veroorzaakt door EHV is de diagnose gebaseerd op typische laesies in de placenta en de vrucht, virusisolatie en/of het aantonen van virale antigenen. Long, lever, milt en thymus zijn de meest geschikte organen om het virus aan te tonen. Serologisch testen van merries met gepaarde serummonsters heeft na abortus weinig diagnostische waarde, aangezien de infectie meestal langere tijd geleden heeft plaatsgevonden en de merries daardoor een titerstijging hebben doorgemaakt.

Differentiële diagnostiek

Andere infectieziekten die abortus bij paardachtigen veroorzaken, zijn:

  • Equine influenza
  • Streptococcus equi var. equi (incidenteel)
  • Contagious equine metritis (CEM)
  • Brucella abortus  
  • Leptospirosis
  • Coital exanthema (incidenteel)
  • Equine viral arteritis
  • Schimmelinfecties (e.g. Mucor spp., Aspergillus spp.)

Materiaal benodigd voor diagnostiek

  • Diagnose in geval van EHV-abortus wordt gedaan aan de hand van virusisolatie uit foetaal weefsel en placenta, histologisch aantonen van typische insluitsels of het aantonen van antigenen door middel van immunofluorescentie of immunohistochemische testen.
  • Vers en geconserveerd monstermateriaal van foetaal weefsel - longen, lever, milt, thymus en nieren
  • Bloedmonsters (serologie)
  • Neusslijmmonsters, genomen tijdens of vlak na de koortspiek

Verspreiding

EHV verspreidt zich voornamelijk via de luchtwegen. Geaborteerde foetussen zitten vol met virus, waarbij ook de placenta en het vruchtwater grote hoeveelheden virus kunnen bevatten. Dit kan introductie van het virus op daarvóór onbesmette gebouwen en terreinen veroorzaken. Volwassen paarden die eerder besmet zijn geweest, kunnen een subklinische infectie krijgen. Het is niet altijd duidelijk of dit komt door herinfectie of door  reactivatie van een latente infectie.

Risico’s voor besmetting

Het risico op EHV-besmetting is het grootst bij import van besmette paarden op een bedrijf. Rechtstreeks dier-dier contact is daarbij de belangrijkste overdrachtsroute, maar het virus kan ook verspreid worden via de handen van verzorgers en via de lucht, zeker na een abortus.