Nutriëntenoverschotten naar de bodem op derogatiebedrijven

Nutriëntenoverschotten naar de bodem op derogatiebedrijven

Overschotten van stikstof en fosfaat naar de bodem kunnen effect hebben op de uitspoeling naar het grondwater. Zo wordt het stikstofbodemoverschot ook wel gezien als de hoeveelheid stikstof die beschikbaar is voor nitraatuitspoeling. Naast uitspoelen kan de stikstof die over is ook in de bodem opgeslagen worden of vervluchtigen uit de bodem.

Het bodemoverschot is een belangrijk kengetal bij het voldoen aan de Europese nitraatrichtlijn. Het terugdringen van het bodemoverschot is een voorname manier om de uitspoeling van nutriënten te verminderen. In dit artikel behandelen we hoe het nutriëntenbodemoverschot wordt berekend en de ontwikkeling van dit overschot, voor zowel stikstof als fosfaat, op Nederlandse derogatiebedrijven. Het rapport Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2017 van het RIVM en Wageningen Economic Research dient als basis voor dit artikel. De trends in waterkwaliteit en landbouwpraktijk op bedrijven die deelnemen aan het derogatiemeetnet worden in dit rapport beschreven.

Opbouw van het bodemoverschot

Het bodemoverschot is het gedeelte van de nutriëntenaanvoer dat niet door het geproduceerde gewas wordt opgenomen. Dit blijft onbenut in de bodem en kan gevoelig zijn voor uitspoeling richting het grondwater. Het bodemoverschot wordt bepaald door de aanvoer van nutriënten te verminderen met de afvoer van nutriënten op een landbouwbedrijf. Aanvoerposten zijn onder andere (kunst)mest, voer, dieren. Afvoerposten zijn onder andere melk(producten), dieren, voer, mest. Voor stikstof geldt dat er ook nog aanvoer plaatsvindt via depositie, netto mineralisatie en stikstofbinding. Gasvormige stikstofverliezen uit stal en opslag, weidegang en mesttoediening aan gewassen zorgen voor afvoer. Voor fosfaat gelden deze laatste aan- en afvoerposten niet of worden niet meegenomen in de berekeningen. Voorraadveranderingen worden in het bodemoverschot verwerkt. Het resultaat van alle aan- en afvoer van stikstof en fosfaat is het bodemoverschot. Dit overschot kan ook negatief zijn, wat betekent dat er meer nutriënten aan de bodem worden onttrokken dan worden aangevoerd.

Dalend stikstofbodemoverschot

In figuur 1 zijn de stikstofbodemoverschotten van 2006 tot en met 2017 van de bedrijven in het derogatiemeetnet weergegeven. Ook is de bandbreedte van bedrijven met het laagste overschot en bedrijven met het hoogste overschot te zien. Tot en met 2013 lag het bodemoverschot op een gemiddeld niveau van 180 kg N/ha. In 2014 daalde het bodemoverschot (153 kg N/ha) fors door het goede groeiseizoen van dat jaar. Via voorraadtoename van bijvoorbeeld gras en snijmais werd meer stikstof op de balans afgevoerd. Daarnaast is er in 2014 ook meer stikstof via de mest afgevoerd. De jaren na 2014 liep het overschot iets op ten opzichte van 2014, maar in 2017 is het weer gedaald (155 kg N/ha). Deze daling wordt vooral veroorzaakt door een toename in de afvoer van stikstof in dierlijke producten en organische mest, ondanks een hogere aanvoer van voer.

Figuur 1. Gemiddelde overschotten voor stikstof (kg N/ha) en de overschotten voor stikstof op de 25% bedrijven met het laagste overschot (25% kwartiel) en de 25% bedrijven met het hoogste overschot (75% kwartiel) op derogatiebedrijven in de periode 2006-2017
Figuur 1. Gemiddelde overschotten voor stikstof (kg N/ha) en de overschotten voor stikstof op de 25% bedrijven met het laagste overschot (25% kwartiel) en de 25% bedrijven met het hoogste overschot (75% kwartiel) op derogatiebedrijven in de periode 2006-2017

Het stikstofbodemoverschot is ook uitgesplitst naar regio, namelijk Zand_230, Zand_250, Löss, Klei en Veen (Fig. 2). De Zand_230 en Zand_250 regio’s hebben betrekking op zandgebieden waar, volgens de derogatievoorwaarden, of 230 of 250 kg stikstof uit graasdiermest aangewend mag worden. Voor een overzicht van de gebieden kan het bovengenoemde rapport (bijlage 1) worden geraadpleegd.

In de Veenregio worden de hoogste bodemoverschotten berekend (199 kg N/ha). Dit heeft vooral te maken met de ingeschatte extra netto mineralisatie van veengrond. Voor de overige regio’s geldt dat de overschotten dichter bij elkaar liggen. De overschotten in de Zand_230 regio zijn met 133 kg N/ha het laagst in 2017 gevolgd door Löss, Klei en Zand_250 met respectievelijk 152, 153 en 154 kg N/ha.

Figuur 2. Gemiddelde overschotten per regio voor stikstof (kg N/ha) op derogatiebedrijven in de periode 2006-2017
Figuur 2. Gemiddelde overschotten per regio voor stikstof (kg N/ha) op derogatiebedrijven in de periode 2006-2017

Negatief fosfaatbodemoverschot

Het fosfaatbodemoverschot is in de periode 2006-2017 gedaald (Fig. 3). Was het overschot in 2006 nog 26 kg fosfaat per hectare, in 2017 is dit gedaald tot een negatief overschot van 1 kg fosfaat per hectare. Dit betekent dat er meer fosfaat door de gewassen wordt onttrokken dan er via onder andere (kunst)mest wordt aangevoerd. Naast een lagere fosfaatgebruiksruimte speelt ook de invoering van het verbod op het toedienen van fosfaatkunstmest op derogatiebedrijven in 2014 hierin een rol.

Figuur 3. Gemiddelde overschotten voor fosfaat (kg P2O5/ha) en de overschotten voor fosfaat op de 25% bedrijven met het laagste overschot (25% kwartiel) en de 25% bedrijven met het hoogste overschot (75% kwartiel) op derogatiebedrijven in de periode 2006-2017
Figuur 3. Gemiddelde overschotten voor fosfaat (kg P2O5/ha) en de overschotten voor fosfaat op de 25% bedrijven met het laagste overschot (25% kwartiel) en de 25% bedrijven met het hoogste overschot (75% kwartiel) op derogatiebedrijven in de periode 2006-2017

Lees meer:


Pieter Willem Blokland (Wageningen Economic Research)