'Achteruitgang insecten in Nederland is zorgelijk,' concludeert minister op basis van Wagenings onderzoek

Nieuws

'Achteruitgang insecten in Nederland is zorgelijk,' concludeert minister op basis van onderzoek van Wageningen Environmental Research

Gepubliceerd op
30 april 2018

In november 2017 sprak minister Carola Schouten haar zorg uit over de forse afname van de biomassa van vliegende insecten in Duitse natuurgebieden. Zij vroeg Wageningen Environmental Research (WENR) haar nader te informeren. Inmiddels hebben David Kleijn en collega’s hun bevinden aan de minister gerapporteerd.

Minister Schouten vroeg Wageningen Environmental Research (WENR) haar te informeren over de uitkomsten van het onderzoek in Duitsland, de vergelijkbaarheid met de situatie in Nederland, de kennis over trends van insecten in Nederland, de verklaringen voor die trends dan wel mogelijke oorzaken van achteruitgang, en een voorstel te doen voor prioritaire onderzoeksvragen.

Resultaten Duitse insectenstudie robuust

Het onderzoek van de Radboud Universiteit concludeerde dat op 63 locaties verspreid over 31 natuurgebieden in Duitsland de totale biomassa aan vliegende insecten in de laatste 27 jaar met 76% achteruit is gegaan. De studie maakte niet duidelijk wat de oorzaak van de achteruitgang is.

David Kleijn concludeert op basis van een kritische reflectie op de publicatie dat de resultaten van deze studie robuust zijn. De onderzochte natuurgebieden in de omgeving van Krefeld (Duitsland) zijn voor een aantal belangrijke kenmerken vergelijkbaar met de natuurgebieden in Nederland. Enige voorzichtigheid is echter geboden bij het extrapoleren van de resultaten naar Nederland.

Ook achteruitgang insecten in Nederland

Voor de trends van insecten in Nederland hebben de onderzoekers gegevens geraadpleegd van een groot aantal onderzoeksprojecten en soortgroepen. Daarbij zijn geen data gevonden over de biomassa van insecten waarmee een vergelijkbare analyse kon worden uitgevoerd als in Duitsland. Wel werd bruikbare informatie gevonden over trends in aantallen bij vlinders en libellen en trends in verspreiding bij bijen en zweefvliegen.

Het beeld is dat insecten in Nederland de afgelopen jaren zijn afgenomen, maar dat er daarbij verschillen zijn tussen soortengroepen. Het lijkt er volgens de onderzoekers op dat de achteruitgang van soorten die kenmerkend zijn voor het agrarisch landschap onverminderd doorgaat. Soorten die momenteel voor hun voorkomen sterk afhankelijk zijn van natuurgebieden lijken te hebben geprofiteerd van herstelmaatregelen in deze gebieden.

Dit geldt niet of in mindere mate voor soorten die gevoelig zijn voor de effecten van stikstofdepositie. Aquatische soorten hebben enige decennia geprofiteerd van verbeteringen in waterkwaliteit, maar lijken inmiddels ook weer af te nemen.

Mogelijke oorzaak een complex van factoren

De achteruitgang van insectenpopulaties wordt volgens de onderzoekers veroorzaakt door een complex van factoren. De langetermijnafname van insectenpopulaties in Nederland kan mogelijk worden verklaard door factoren die met ontwikkelingen in de landbouw samenhangen. Dit zijn de intensivering en homogenisering van het agrarisch landgebruik, het gebruik van meer stikstof en fosfaat dan het landbouwkundig systeem kan vasthouden, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (vooral insecticiden) en de versnippering van natuurlijke leefgebieden.

Tegelijk constateren de onderzoekers dat feitelijk niet precies bekend is hoe slecht het met de insecten in Nederland gaat en dat er nog belangrijke kennishiaten gevuld moeten worden.

'Achteruitgang insecten is zorgelijk'

De minister stelt in haar reactie aan de Tweede Kamer dat het rapport van WENR een bouwsteen is voor haar visie over de verbinding tussen landbouw en natuur: 'De trend van de achteruitgang van de insecten in Nederland is zorgelijk. Niet alleen vanwege de natuurwaarde van de insecten zelf, maar ook omdat zij een essentiƫle schakel vormen in de natuurlijke voedselketens en de landbouw, zoals voor de bestuiving van gewassen en de afbraak van organische stof in de landbouwbodems.'

'Ik vind het daarom belangrijk dat het beleid om de emissies van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen naar het milieu substantieel terug te brengen wordt gecontinueerd,' stelt de minister. 'Ook streef ik ernaar dat in de landbouwgebieden weer meer ruimte komt voor natuur en natuurlijke processen.'

'Ik hecht daarbij aan een integrale aanpak waarbij werkendeweg ervaring wordt opgedaan met duurzame aanpassingen in de landbouw en effecten daarvan voor landbouw en natuur. Via concrete opgaven kan in gebieden ervaring worden opgedaan met maatregelen die later in generiek beleid kunnen worden omgezet.' De minister gaf aan het voorstel voor prioritaire onderzoeksvragen dat de onderzoekers op haar verzoek hebben opgesteld bij haar beleid te betrekken.