Fokken voor beter welzijn bij kortsnuitige hondenrassen

Nieuws

Fokken voor beter welzijn bij kortsnuitige hondenrassen

Gepubliceerd op
13 augustus 2019

Korte snuiten (brachycephalie) bij hondenrassenrassen zorgen voor een slechte conditie, ademhalings- en andere problemen. Wageningen University & Research heeft resultaten van looptesten bij de Engelse Bulldog geanalyseerd om te kijken hoe effectief fokkerij kan zijn voor verbetering van het hondenwelzijn. Daaruit blijkt dat alleen uiterlijke criteria opstellen waaraan de honden moeten voldoen nog niet voldoende is voor een snelle verbetering van kenmerken.

Looptest biedt inzicht in fokgeschiktheid

In opdracht van het ministerie van LNV heeft de Universiteit van Utrecht criteria opgesteld voor het fokken met kortsnuitige honden (van Hagen 2019), die zijn overgenomen door minister Schouten. De Raad van Beheer (houden van honden) heeft een convenant gesloten met twee Engelse Bulldog-verenigingen, waarbij honden een fokgeschiktheidskeuring ondergaan. Onderdeel hiervan is een looptest waarbij honden 1000 meter moeten afleggen binnen 12 minuten.

Naast deze initiatieven is ook aandacht voor de genetische kant nodig. Als kenmerken niet erfelijk of maar gedeeltelijk erfelijk zijn, heeft selecteren op criteria geen, of maar beperkt zin. Bij een lage erfelijkheidsgraad kan de erfelijke aanleg van een hond, dat wat wordt doorgegeven naar volgende generaties, heel anders zijn dan wat de hond zelf laat zien.

Wageningen University & Research heeft de resultaten van de looptesten bij de Engelse Bulldog geanalyseerd om te kijken hoe effectief fokkerij kan zijn voor verbetering van het welzijn. Er waren gegevens van 277 honden die deelnamen aan de looptest beschikbaar. Ook was van deze honden de stamboom beschikbaar en gegevens over het uiterlijk van de hond (exterieurkeuring).

Hoge erfelijkheidsgraad van schedel- en snuitbreedte

De loopsnelheid (tijdsduur voor het afleggen van 1 km) van de honden liep uiteen van 9 tot bijna 13 minuten. Twee kenmerken met een duidelijk relatie met loopsnelheid waren de schedelbreedte en de snuitbreedte. De erfelijkheidsgraad voor loopsnelheid en herstel van de hartslag na de looptest (verschil tussen hartslag voor de test en een kwartier na de test) waren erg laag (tabel 1) en verschilden niet significant van 0. De erfelijkheidsgraad van schedel- en snuitbreedte waren vrij hoog.

Tabel 1: Erfelijkheidsgraad van verschillende kenmerken bij de Engelse Bulldog zoals gemeten bij de looptest.
Kenmerk Erfelijkheidsgraad Standaardfout
Loopsnelheid 0,06 0,12
Herstel hartslag 0,11 0,13
Schedelbreedte 0,58 0,14
Snuitbreedte 0,40 0,12

De conclusie is dat de erfelijkheid van de loopsnelheid en het herstel van de hartslag laag is. Dit houdt in dat er in de volgende generatie weinig verbetering te verwachten is in deze kenmerken als de test blijft zoals deze is. In de literatuur is bekend dat de vorm van de schedel en snuit invloed hebben op de conditie van de hond. Ook in dit onderzoek was duidelijk dat dieren met een bredere schedel en snuit langer deden over de 1000 meter. Deze kenmerken hadden wel een hoge erfelijkheidsgraad.

Verbeteren fokgeschiktheid vraagt om betere testen

Er zijn een aantal mogelijkheden om de test te verbeteren:

  1. Alle honden testen: De test wordt nu niet voor alle honden afgenomen. De test voor alle honden afnemen heeft verschillende voordelen. Allereerst wordt de bandbreedte in kenmerken waarschijnlijk groter, wat een betere schatting van de erfelijkheidsgraad kan geven. Het is nu de vraag of eigenaars van honden die verwachten dat de hond slecht zal presteren, deelnemen aan de test. Verder kan als alle honden deelnemen ook de relatie met andere kenmerken genetisch worden onderzocht. Nu waren er onvoldoende honden in de test om genetische correlaties goed te kunnen schatten. Een genetische correlatie geeft aan hoeveel het ene kenmerk mee verandert als op het andere kenmerk geselecteerd wordt.
  2. De looptest verbeteren: De looptest wordt nu een keer per hond afgenomen. Zou deze twee maal worden afgenomen, dan krijgen we inzicht in de herhaalbaarheid van de test. Een reden voor de lage erfelijkheidsgraad kan namelijk zijn dat door toeval testen veel lager of hoger kunnen uitvallen. De testen zijn nu wel gecorrigeerd voor zaken als buitentemperatuur, maar er kunnen meer externe factoren zijn. Door de test te herhalen kunnen deze beter in kaart worden gebracht en mogelijk beter worden gestandaardiseerd. Ook kan door het gemiddelde te nemen de conditie van de hond beter worden geschat.
  3. Uiterlijk beter meten: Het uiterlijk van de hond is nu geschat waarbij de kenmerken in 3 tot 5 categorie├źn werden ingedeeld (bijvoorbeeld de breedte van de schedel varieerde van te smal, beetje smal, matig breed, voldoende breed tot breed). Precies meten zal de schatting van de erfelijkheid verbeteren. Waarschijnlijk hebben dan meer kenmerken een hoge erfelijkheidsgraad en relatie met de conditie.
  4. Fokwaarde opstellen: Als voor alle honden testresultaten en nauwkeurige metingen beschikbaar komen, kan een fokwaardeschatting worden opgesteld. De fokwaarde geeft aan wat de genetische aanleg is van een hond. Voor een fokwaarde van een hond wordt niet alleen de waarde van de hond zelf voor de conditietest meegenomen, maar ook de waarde bij verwanten. Ook kan de waarde voor gerelateerde kenmerken, zoals de schedelbreedte, worden gebruikt om de erfelijke aanleg voor de conditie te verbeteren. Bij een nauwkeurige fokwaarde kan worden voorkomen dat een hond op basis van zijn eigen prestaties wordt uitgesloten voor verdere fokkerij, terwijl zijn erfelijke aanleg wel goed is. Omgekeerd kan ook worden voorkomen dat een hond die wel goed presteert, maar een slechte genetische aanleg heeft en die doorgeeft naar de volgende generaties, wel gebruikt wordt in de fokkerij.

Eindconclusie is dat alleen uiterlijke criteria opstellen waaraan de honden moeten voldoen nog niet genoeg is om tot een snelle verbetering van de kenmerken te komen.