Project

Concept ontwikkelen voor vier biotopen

Voor de natuurbeheerregelingen (agrarisch natuurbeheer) wordt gestreefd naar vergaande versimpeling: minder pakket- en betalingsdifferentiatie. Op dit moment wordt gedacht aan het ontwikkelingen van vier ‘biotopen’-pakketten, voor elk waarvan een eenheidsprijs geldt. Opgave is: hoe kan aan en dergelijk pakketsysteem zodanig vorm worden gegeven dat de kans op nagestreefd resultaat maximaal is, de kosteneffecientie maximaal is, en de transactiekosten minimaal zijn.

Doelstelling

De vier beoogde biotopen zijn: 1. Grootschalig, open grasland landschap 2. Grootschalig, open akkerlandschap 3. Kleinschalig, besloten agrarisch landschap 4. Groenblauwe dooradering (natte randen, waterlopen, kleine landschapselementen). Een dergelijke benadering beoogt maximale versimpeling van de transactie. Daarvoor is nodig dat er een voldoende stevige en eenduidige relatie kan worden gelegd tussen beoogd resultaat en in te zetten middelen. Het doel van dit project is het opstellen van een landsdekkende kaart waarop het voorkomen van deze biotopen wordt aangegeven. Het kaartbeeld -en de daaraan verbonden bespreking- is bedoeld ter ondersteuning van het ontwikkelen van een nieuw Agrarisch natuurbeheer 2014-2020

Resultaten

Een landsdekkende kaart is opgesteld waarin het voorkomen van agrarische 'biotopen' is weergegeven. Maatgevende kenmerken voor het onderscheiden van de biotopen zijn landgebruik (grasland, akker) en openheid (open, besloten). Ook de aanwezigheid van lijnvormige elementen (groenblauwe dooradering) speelt een belangrijke rol. Naast deze vier biotopen zijn er ook overgangssituaties onderscheiden (halfopen gebied; gebied met zowel gras als akker). Bij het uitwerken bleek de aanweigheid van lijnvormige elementen meer een begeleidend kenmerk van een biotoop, dan een hoofdkenmerk.

Deze opgestelde kaart beschrijft de huidige situatie en niet de na te streven situatie. Voor het toekennen van doelen aan de kaart is dus nog een extra ronde nodig.

Het areaal agrarisch gebied waar soorten met EU-relevantie (Vogel- en Habitatrichtlijn) een rol spelen, is zeer beperkt, te beperkt om het beheerstelsel op te richten. Soorten van nationale relevantie (bijvoorbeeld ‘typische soorten’ voor Natura 2000-habitattypen of ‘SNL-kwaliteitssoorten’) bieden hiervoor meer soelaas.