Project

Ex-vivo infectiemodellen voor arbovirussen

Eerste introducties van arbovirussen kunnen grote gevolgen hebben voor dier- en volksgezondheid en de economie. De eerste introducties van West Nile virus (WNV) en Chikungunya virus (CHIKV) in de VS, Blauwtong virus (BTV), Schmallenberg virus (SBV) en Usutu virus (USUV) in Noord Europa en Zika virus (ZIKV) in Zuid Amerika zijn slechts de meest recente voorbeelden. Aangezien arbovirussen zich in naïve populaties zeer snel kunnen verspreiden, is het van groot belang dat snel gereagerd wordt op een introductie, wat alleen mogelijk is als al enige kennis aanwezig is over het virus en de gevoeligheid van verschillende diersoorten.

Gezien de grote verscheidenheid aan arbovirussen is het zeer kostbaar om de gevoeligheid van verschillende dieren voor al deze virussen te bepalen in dierexperimenten. In het huidige project worden ex vivo modellen ontwikkeld om deze interacties buiten het dier (ex vivo) te bestuderen zodat op termijn het aantal en/of de omvang van dierproeven verminderd kan worden. Wij beogen protocollen te ontwikkelen die gebruikt kunnen worden om te bepalen of een arbovirus in staat is zich efficiënt te vermeerderen in primaire cellen en weefsels van landbouwhuisdieren.

Doelwitcellen van arbovirussen

Het project zal zich richten op de huid en explantaten van lymfoïde organen (milt, lymfe knopen, tonsillen) en specifiek de mononucleaire fagocyten in deze organen, aangezien dit belangrijke doelwitcellen zijn van arbovirussen. In tegenstelling tot de meeste andere virussen, zijn arbovirussen in staat mononucleaire fagocyten te infecteren en zich productief te vermeerderen in deze cellen. Dit is een zeer belangrijke eigenschap van arbovirussen, aangezien juist deze virussen in de huid (maar bijvoorbeeld ook in de placenta) interacties met deze cellen moeten overleven.

Wij veronderstellen dat de mate waarin arbovirussen mononucleaire fagocyten kunnen infecteren en hierin kunnen repliceren de gevoeligheid van diersoorten voorspelt. Hoewel mononucleaire fagocyten ook na in vitro differentiatie van monocyten uit het bloed kunnen worden verkregen, is aangetoond dat deze cellen fenotypisch aanzienlijk kunnen verschillen van de mononucleaire fagocyten die voorkomen in weefsels, waaronder de huid en lymfoïde organen. Resultaten verkregen met deze artificieel gedifferenteerde cellen zijn daarom van beperkte waarde. Om de brede toepassing van de te ontwikkelen kennis en methoden te onderbouwen wordt gebruik gemaakt van diverse virussen behorende tot de drie belangrijkste arbovirus families (Togaviridae, Flaviviridae, Bunyaviridae) en twee gastheren: Het schaap en het varken.

Publicaties