vaccinatie

Project

Maatschappelijke aanvaardbare dierziektenbestrijding (MAD)

De bestrijding van dierziekten staat in het middelpunt van de maatschappelijke belangstelling. Vaccinatie is de geprefereerde bestrijdingsmethode tegen een aantal aangifteplichtige dierziekten. Recentelijk is ook meer aandacht gekomen voor dierziekten die een gevaar vormen voor de volksgezondheid (zoönosen) en die een andere bestrijding vereisen.

Doelstelling

Dit project is vooral gericht op beleidsmedewerkers van de ministeries van EL&I en VWS. Een geïntegreerde aanpak is noodzakelijk om de veterinaire en epidemiologische aspecten, maatschappelijke acceptatie en kosteneffectiviteit te kunnen afwegen. Welke eisen moeten aan een robuust systeem van dierziektebestrijding gesteld worden, rekening houdend met dierwelzijn, maatschappelijke acceptatie, kosteneffectiviteit, internationale handelspositie en Europese regelgeving?

Werkwijze

Veterinair-epidemiologisch onderzoek:

  • Ontwikkeling van een wiskundig model voor de berekening van de overdracht van Q-koorts binnen een kudde melkgeiten.
  • Vergroting van de maat van veehouderijen. CSF/varkenshouderijen in Nederland in 1997 - 1998 zijn tot onderwerp van dit onderzoek gekozen omdat de epidemie uit dat jaar veel veehouderijen heeft getroffen (circa 400). Onderzocht werd wat het effect is van de maat van een veehouderij (hoeveelheid varkens) op 1) de vatbaarheid van de veehouderij voor CFS en 2) de besmettelijkheid van de veehouderij voor naburige bedrijven.

Sociaal onderzoek:

  • Onderzoek naar de sociaal-economische effecten van vaccinaties tegen Q-koorts op melkgeitbedrijven.

Resultaten

Q-koorts:

  • Vaccinatie is effectief in het snel reduceren van het voorkomen van Q-koorts in een kudde melkgeiten. Andere controle-strategieën hebben meer invloed op kuddebeheer (meer vervanging van de dieren); (her-)infecties kunnen dan leiden tot grotere uitbraken als gevolg an het hogere aantal vatbare dieren in een kudde.
  • Wanneer gekeken wordt naar de gemiddelde tijd tot het verdwijnen van de infectie in een geitenkudde, is preventieve vaccinatie de beste bestrijdingsstrategie gevolgd door de reactieve strategie van een fokverbod na het positief testen in bulk tank melk.
  • Geïnfecteerde melkgevende geiten scheiden C. burnettii bacteriën uit met tussenpozen en in verschillende hoeveelheden. Een Search&Destroy methode waarbij melk wordt getest en vervolgens de besmette geiten worden opgespoord en geruimd, zal nietresulteren in het uitsterven van Q-koorts in die kudde.
  • C. burnetti kan overleven van broedseizoen tot broedseizoen als intracellulaire bacterie in voornamelijk witte bloedcellen van de geit. Aan deze persistent geïnfecteerde geiten heeft de bacterie genoeg om te overleven tot het volgende jaar.
  • De gemiddelde levensduur van een geit in een Nederlands melkgeitenkudde is 2,7 jaar. Als vaccinatie gestopt wordt, zal binnen enkele jaren geen enkele geit meer immuun zijn tegen C. burnetii. Deze vatbare populatie is erg kwetsbaar voor (her-)introducties van Q-koorts.
  • Kosten van het controle-programma op  de lange termijn zijn verbonden aan de educatie van mensen. Kosten op de korte termijn zijn voor de geitenindustrie (vooral in het begin toen er sprake was van ruiming en een fokverbod).
  • Vaccinatie tegen Q-koorts is een kosteneffectieve strategie voor geïnfecteerde kuddes of kuddes met een hoge kans op (her-(infectie van naburige veehouderijen. Alternatieve strategieën als Search&Destroy zijn minder kosteneffectief.

Vergroting van veehouderij-grootte:

  • Grootte van een veehouderij-bedrijf had een significant effect op de besmetting van andere bedrijven tijdens de epidemie van 1997-1998 in Nederland. Hieraan zat wel een maximum, daarna speelde grootte geen rol meer.

Publicaties