centrifuge onderzoek dna

Project

Moleculaire karakterisering MRSA en ESBL

Door multiresistente organismen als MRSA en ESBLs die in de dierhouderij voorkomen is er een potentieel risico voor de volksgezondheid ontstaan.

Doelstelling

Het Central Veterinary Institute (CVI) voert al surveillances die zich richten op een fenotypische screening op basis van MIC-waarden van resistentiedeterminanten in geselecteerde isolaten uit dieren en dierlijke producten. Hierdoor kan ingeschat worden hoeveel resistentiegenen er aanwezig zijn. Het doel van dit project is om gerichte prevalentiestudies en moleculaire typeringen uit te voeren om de relatie tussen multiresistente organismen in de dierhouderij en de volksgezondheidsproblemen te bevestigen of te ontkrachten.

Beoogd resultaat

Het resultaat van dit onderzoek zal een beter inzicht zijn in de aanwezigheid van ESBLs en MRSA in verschillende diersoorten en de genetische karakteristieken daarvan. De mate en de aard van aanwezigheid en de dynamiek daarin bepalen het risico voor de volksgezondheid.

Werkwijze

Voor het bepalen van de prevalentie van MRSA en de trends daarin wordt er bij jaarlijks 100 koppels Nederlandse vleesvarkens, vleeskalveren neusswabs afgenomen en bij vleeskuikens keelswabs. De identificatie en de aanwezigheid van het mecA-gen (typisch voor MRSA) wordt door middel van PCR bevestigd. Per koppel wordt 1 isolaat bewaard en aanvullend getypeerd.

Daarnaast worden diagnostische laboratoria (Gezondheidsdienst voor Dieren en het Veterinair Microbiologisch Diagnostisch Centrum) om alle index MRSA isolaten uit klinische monsters van landbouwhuisdieren in te sturen naar CVI voor aanvullend onderzoek. Voor de prevalentie van ESBLs wordt bij dezelfde koppels faecesmonsters genomen en aanvullen ook van 100 individuele melkkoeien. Bij verdachte isolaten wordt de aanwezigheid van ESBL en het type ESBL gepaald. Dit gebeurt ook met de verdachte isolaten van GD en VMDC.

Resultaten

Samenvattend kan worden gesteld dat de prevalentie van ESBLs in alle onderzochte diersoorten erg hoog is op bedrijfs-, en deels ook dierniveau. Er komt een grote variatie aan typen voor die deels ‘kip-gerelateerd’ zijn en deels meer een humane achtergrond lijken te hebben. De gegevens wijzen op een actieve verspreiding van ESBLs in dieren en laten zien dat de meeste diersoorten de potentie hebben een bron te zijn voor verspreiding van of naar de mens. ESBLs komen ook in wilde dieren in Nederland voor. Het voorkomen in waadvogels suggereert dat het Nederlandse milieu besmet is met ESBLs door uitrijden van mest of via riool besmettingen. Zowel mens als dier zal aan deze contaminatie bijdragen.

Publicaties